Erasmiaan schreef:memento schreef:
Alleen, dit mag niet ten koste gaan van de oproep tot bekering van het hart. En "met ernst uitzien" is wat anders dan de taal van de Schrift, die duidelijk in de bevel-vorm is. God vraagt niet van ons of we ernstig zijn, maar gebiedt ons ons te bekeren, onder de dreiging dat een ieder die buiten Christus is, verloren is. Opdat die onmogelijke eis ons tot bekering zou dringen.
Die klem (moeten en niet kunnen) mis ik in betreffende kanselboodschap, terwijl wel duidelijk uitgesproken wordt dat en wat men moet doen. Ik zie daar de gevaren van wetticisme (in de zin van dat het houden van de wet als "niet nix" gezien gaat worden, of mensen zelfs het idee gaan krijgen dat ze Gods heilige wetten best aardig kunnen houden, etc).
Kortom, wie duidelijk waarschuwt tegen een wereldgelijkvormig leven, moet even duidelijk oproepen tot geloof en bekering. Anders mist het het Schriftuurlijke evenwicht.
Die waarschuwing tegen een wereldgelijkvormig leven is de oproep tot bekering.

Wat dacht jij dan dat een oproep tot bekering is (
verlaat de slechtigheden en leeft, is dat ook de verkeerde volgorde)? En geloof in de Heere Jezus, dat staat er ook keurig in verwoord. De geloofswet die jij op wilt leggen leren ze gelukkig niet in de OudGerGem.
Erasmiaan, stop eens met bewust teksten uit hun verband te trekken. Spreuken 9 begint met de nodiging tot het heil (bijzonder vers 5), en komt dan pas met de eis van de wet. Het bewijst precies wat ik zeg, namelijk dat inwendige en uitwendige bekering tezamen genoemd moeten worden, en niet los verkrijgbaar zijn.
1 De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
2 Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
3 Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
4 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
5 Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
6 Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
Trouwens, als je mijn visie "geloofswet" noemt, dan moet je de reformatoren daar ook van verwijten. De stellingen die ik noemde zijn allen zeer gereformeerd en Bijbels:
1. Uit een geestelijk dood mens kan geen enkel Gode welbehagelijk werk voortkomen
2. Zonder bekering gaat men verloren, hoe braaf men ook leeft
3. Er zijn maar 2 soorten mensen: bekeerden die zalig worden, en de rest die verloren ligt en blijft liggen indien zij zich niet bekeren (waaronder dus ook alle niet-bekeerde, netjes-levende kerkmensen)
Overigens hebben ze het niet over de onmacht en roepen ze actief op tot bekering. Maar dat is ook niet goed, er moet toch weer een fijnslijppuntje gevonden worden.
Over welke zin in de kanselboodschap heb je het nu? Ik heb dat namelijk niet gelezen. Het hele stuk is sterk waarschuwend en vermanend, behalve als het gaat om de zonde van ongeloof, en de oproep tot bekering (bekering als bevel).
Tevens past in een vermaan tegen een aantal veel voorkomende zonden, ook een vermaan tegen de zonde van ongeloof. Want ongeloof is toch wel één van de meest voorkomende zonden in onze gezindte...