Comriaan schreef: ↑30 jun 2026, 17:13
Nog even over het boekje van Erskine en Fisher en de leeruitspraken GG van 1931. Hoe zit het nu met de beloften aan de gedoopte kinderen?
Wat zeggen Erskine en Fisher precies? De vragen 82-85 maken een onderscheid dat wezenlijk is.
Vraag 82 Tot wie worden de beloften gericht? "Tot allen die het Evangelie horen en tot hun zaad." Hier is de adressering breed. De beloften worden niet alleen gepredikt aan de uitverkorenen, maar aan allen die onder de bediening van het Evangelie leven.
Vraag 83 Welk recht hebben de hoorders? "Een recht van toegang tot de beloften..." Dit is geen zaligmakend bezit, maar wel een werkelijk recht om tot Christus te gaan. De hoorder mag zich op de beloften beroepen. Daarom is ongeloof ook schuld: men verwerpt een aangeboden Christus.
Vraag 84 Wat geeft het geloof? "Een recht van bezit..."
Hier onderscheiden Erskine en Fisher tussen:
• recht van toegang (ius ad rem)
• recht van bezit (ius in re)
Dat onderscheid is oud en klassiek in de gereformeerde theologie.
Wat zeggen de Leeruitspraken van 1931? De uitspraak luidt samengevat: Het wezen van het genadeverbond geldt alleen de uitverkorenen.
Daarmee wordt de wezenlijke verbondsgemeenschap beperkt tot de uitverkorenen. Dat is een andere vraag dan:
• tot wie de beloften komen;
• wie geroepen wordt;
• wie gedoopt wordt.
De bedoeling van 1931 was vooral zich af te zetten tegen een objectieve verbondsleer waarin ieder gedoopt kind reeds als wedergeboren of als werkelijk in het wezen van het verbond beschouwd werd.
Waar ontstaat de spanning? Hier zit volgens mij inderdaad de kern.
Erskine en Fisher zeggen:
• de beloften worden aan allen aangeboden;
• ieder hoorder heeft recht van toegang;
• geloof brengt bezit.
Dat lijkt een directe lijn: Evangelie → recht van toegang → geloof → bezit.
In de publicatie 'Verbond, prediking en geestelijk leven' wordt echter sterk benadrukt dat het ware geloof alleen ontstaat door wederbarende genade. Dat is op zichzelf gereformeerd.
Een bezwaar is dat hierdoor praktisch een extra schakel ontstaat: recht van toegang → wedergeboorte → geloof → bezit.
Daardoor krijgt het "recht van toegang" weinig inhoud. Men mag wel tot Christus gaan, maar de beloften van vergeving lijken pas werkelijk op iemand betrekking te hebben nadat de wedergeboorte blijkt. Dat is inderdaad een spanning die vaker is aangewezen in discussies over de Gereformeerde Gemeenten.
Wat mag een gedoopt kind dan doen? Pleiten op de doop? Hier komt de pastorale vraag.
Volgens Erskine en Fisher zou een gedoopt kind mogen zeggen:
• God laat mij het Evangelie horen.
• De beloften worden ook aan het zaad van de gemeente verkondigd.
• Ik mag tot Christus vluchten.
• Ik mag pleiten op Zijn belofte.
• Ik ben schuldig als ik dat niet doe.
Het kind hoeft niet eerst te weten of het uitverkoren is. Dat is precies de functie van vraag 83.
Is een gedoopt kind een bondeling? Hier verschillen de verbondsopvattingen.
Binnen de Gereformeerde Gemeenten wordt vaak onderscheiden tussen:
• uitwendig in het verbond;
• wezenlijk in het verbond.
Daardoor kan men zeggen:
• het kind behoort uitwendig tot de verbondsgemeente;
• maar alleen de uitverkorenen behoren wezenlijk tot het genadeverbond.
Andere gereformeerde stromingen (bijvoorbeeld binnen de traditie van Herman Bavinck of Klaas Schilder) spreken veel objectiever over alle gedoopten als bondelingen. De Gereformeerde Gemeenten kiezen bewust voor een beperktere formulering.
Is er een spanning met Markus 16:16 en Handelingen 2? "Wie gelooft en gedoopt is, zal zalig worden." Daar moet wel nauwkeurig gelezen worden.
De tekst zegt niet: wie gedoopt is, heeft vergeving. Maar: wie gelooft én gedoopt is. Ook in Handelingen 2 is de oproep: Bekeert u en laat u dopen tot vergeving van zonden. Daar gaan bekering, geloof en doop samen.
De vraag is vervolgens: Mag iedere gedoopte deze belofte persoonlijk aangrijpen?
Erskine en Fisher beantwoorden dat met "ja": juist daarom bestaat het recht van toegang.
"Vraag 83 en 84 krijgen een andere functie." In de publictie ‘Verbond, prediking en geestelijk leven’ wordt benadrukt dat het geloof uit wedergeboorte voortkomt. Door de wijze waarop wedergeboorte functioneert, krijgt vraag 83 in de praktijk nauwelijks zelfstandige betekenis. Daardoor durft een gedoopt kind niet werkelijk op de beloften van vergeving te pleiten voordat het zekerheid van wedergeboorte bezit.
De kern van mijn kritiek is: Heeft een gedoopt kind werkelijk een goddelijke belofte waarop het mag pleiten?
Volgens Erskine en Fisher lijkt het antwoord te zijn:
• ja;
• niet omdat het uitverkoren is;
• maar omdat God Zijn beloften in het Evangelie aan alle hoorders en hun kinderen laat verkondigen;
• het geloof eigent zich vervolgens toe wat reeds waarachtig aangeboden werd.
De Gereformeerde Gemeenten willen tegelijk vasthouden aan de beheersing van het verbond door de uitverkiezing. Daardoor ontstaat voortdurend de spanning tussen de objectieve aanbieding van de beloften en de subjectieve toe-eigening door het geloof. Die spanning is niet eenvoudig op te lossen en verklaart waarom binnen de Gereformeerde Gemeenten telkens discussie ontstaat over vragen als: Waarop mag een gedoopt kind pleiten? Is het een bondeling? Zijn de beloften werkelijk voor hem of alleen voor de uitverkorenen?
De Gereformeerde Gemeenten zwakken de beloften die aan de gedoopten zijn gedaan, doordat de persoonlijke toepasselijkheid van de beloften, zo sterk wordt verbonden aan de uitverkiezing en wederbarende genade, dat volgens critici (waaronder sommigen die zich op Erskine en Fisher beroepen) het "recht van toegang" uit vraag 83 onvoldoende tot zijn recht komt in prediking en pastorale toepassing.
De constructie van de leeruitspraken van 1931 hebben ervoor gezorgd, dat de doop die dan objectief verzegelt is aan elk gedoopt kind verzwakt wordt. Te vrezen is dat daardoor de volle betekenis van de doop en de evangeliebelofte wordt verzwakt. Denk aan de publicatie 'In Christus gedoopt' van dr. W. van Vlastuin. De GG kan daar niet goed mee omgaan, omdat ze bang zijn dat de wedergeboorte dan een te kleine plaats krijgt. En door een te groot accent op de wedergeboorte, is dat tegelijk precies de oorzaak van andere problemen: de verbondsbeloften voor gedoopte kinderen gelden eigenlijk vanaf de wedergeboorte, en de toe-eigening van het heil kan zomaar 30 jaren duren. Hoe meer je de wedergeboorte benadrukt als het begin van het geloof, hoe minder kerkgangers er vrijmoedig durven te zeggen: ik geloof in Christus Jezus, Hij is mijn Zaligmaker, en ik heb vergeving van zonden.