Ik ben nog wel benieuwd naar een antwoord op deze vraag. Je lijkt de ontstaansgeschiedenis en samenstelling van de gemeente te koppelen aan je standpunt van de heilshistorische voortgang. Terwijl exegese veel grond heeft voor een lezing dat Paulus de gemeente onderwijst in de inhoud van de Evangelieboodschap en daarbij autobiografische uitspraken doet.Groepscirkel schreef:Ik kan deze indeling best volgen, alleen betwijfel of we hetzelfde bedoelen met H5-8. Je schreef eerder over heilshistorische voortgang. Kan je daar meer woorden aan geven?
Ik ben bekend met deze visie. Het is dan dat de keizer in 49 nC Joden(-christenen) heeft weggestuurd en een aantal jaren later weer terug heeft laten komen. Hierdoor zouden spanningen in de gemeente ontstaan. Rom. 14-15 geven wel reden om te denken aan spanningen. Paulus zou daarop, al dan niet polemisch, zijn brief richten.Arja schreef:Er is een engelsstalig boek hierover: Ethnic issues in Paul's letter to the Romans: changing self-definitions in earliest Roman Christianity. Op Bible Hub kun je lezen over Acts 18:2 and Rome's Jewish expulsion en "How does Acts 18:2 reflect the historical expulsion of Jews from Rome?" Via, via kan je dat dan verder onderzoeken. https://biblehub.com/q/Acts_18_2_and_Ro ... ulsion.htm
En er zijn zoveel andere bronnen.
Bijvoorbeeld Dunn’s commentaar op Romeinen.
Ik hoop dat dit genoeg is.
Echter is de ontstaansgeschiedenis van de gemeente te Rome niet helder. Wel zijn er allerlei aannames gedaan over de tijd na Pinksteren en de verspreiding van mensen en het Evangelie. Is de gemeente te Rome dan door Joden-christenen in de diaspora gesticht en opgebouwd? Onzeker.
Dr. Van Bruggen stelt dat Paulus in de meer nabij gelegen gebieden (huidig Turkije, Griekenland) in de 50'er jaren nog geen christelijke gemeenten aantreft. Hij brengt als eerste het Evangelie in de synagogen. Pas op zijn derde zendingsreis heeft Paulus ontmoetingen met Apollos en leerlingen van Johannes de Doper, maar in beide gevallen is nog meer onderwijs nodig, aldus Van Bruggen.
Van Bruggen geeft ook aan dat áls er wel vroeg joodse christenen te Rome waren, dat hun aanwezigheid niet relevant blijkt te zijn. De beslissende confrontatie tussen de synagoge en christenen vindt immers pas plaats als Paulus in Hand. 28 arriveert.
Conclusie van Van Bruggen: de christelijke gemeente te Rome stond min of meer los van de synagoge.
Verder concludeert Van Bruggen dat er geen historische bewijzen voor een interne identiteitscrisis zijn en de Romeinenbrief dan ook geen (verborgen) polemische strekking zou hebben.
Mij ontbreekt de doorslaggevende kennis om hierover een standpunt in te nemen. Mijn vraag richt zich er wel op in hoeverre ontstaan en samenstelling doorslaggevend is voor de visies in dit topic op de Romeinenbrief en specifiek H5-8. Ik zie nog geen aanleiding om de ene of de andere lezing te kiezen op basis van de historische wording van de gemeente te Rome.
Hoe denk jij daarover?