Long Reads

Geeske_1991
Berichten: 487
Lid geworden op: 11 apr 2018, 11:00

Re: Long Reads

Bericht door Geeske_1991 »

-DIA- schreef:Wij zijn nu weer gekomen aan de avond van het jaar 2025. Wat is het nog maar kort geleden dat ik op de nieuwjaarsdag tegen mijn broer zei: We zijn nu 2025 begonnen, maar zullen we het jaar nog mogen eindigen?
Ik had zelf het gevoel: het kon het laatste jaar wel zijn. En nu zijn we weer aan de avond van dat jaar. Maar we zijn nog niet in het nieuwe jaar. Laten we maar bedenken dat we niet oud behoeven te zijn om het nieuwe jaar niet meer te beginnen.

Vandaag las ik een stukje van een predikant die jaren geleden in onze gemeente heeft mogen dienen. Toen hij schreef wat ik las was het in het jaar 1964. Ik was zelf nog een kind. Maar ik weet heel goed hoe het was in dat jaar. We zien vele veranderingen.
De predikant die in 1964 onderstaande schreef zag toen ook veel wat hem verontrustte. Als we dit zo lezen kunnen we wel eens denken: Als deze prediker onze tijd eens had mee moeten maken, hoe zou hij daar onder zijn? Zou hij hier kunnen leven onder deze druk en oordelen? Maar hij is hier niet meer. God heeft hem weggenomen voor deze dag van het kwaad dat we nu zien, en wat hij niet behoefde mee te maken, maar wat hij als het ware wel van verre zag.
Laten wij eens luisteren wat hij schreef in 1964. Voor sommigen kan het ontdekkend zijn. Want het is ook een zekere waarheid dat velen de tijd waarin wij samen leven niet doorgronden.
Ik zal hieronder het stukje laten volgen wat ik vandaag las. De bron is voor hen die het na willen zien, digibron:

https://www.digibron.nl/zoeken/jaar/196 ... m-oplopend

Aan de vooravond van...
Neen, het is geheel mijn bedoeling niet om te gaan profeteren; ik ben geen profeet, noch eens profeten zoon. Wij hebben in Gods raad niet gekeken, en het is geboden en raadzaam om verre, zeer verre van dat terrein af te blijven. De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, Deuteronomium 29:29. Het past ons niet als dwazen in onszelf, en "kortzichtig" als wij zijn, in te dringen in dingen, die voor ons te hoog zijn. Ook te dezen opzichte kunnen wij beter bidden dan profeteren!
Doch anderzijds is het ook te veroordelen, sterk te veroordelen, om maar gedachteloos* voort te leven. Wij zijn redelijke schepselen, en wij hebben naar het getuigenis van Christus Zelf: Mozes en de profeten. Ja, gelijk wij lezen in 2 Petrus 1:10, het profetische woord, dat zeer vast is, en waarop wij acht moeten geven, 'als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Met welk een heilige ernst heeft Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde het ons toegeroepen acht te geven op de tekenen der tijden. "En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: Waakt", Markus 13:37.

Het is het werk van de wachter, wanneer hij het zwaard ziet komen over het land, om met de bazuin te blazen en , het volk te waarschuwen, Ezech. 33:2. O, wat een gewichtvol en hoogst verantwoordelijk werk is Gods knechten toebetrouwd. Zeker, de wachters op Sions muren mochten geduriglijk al de dag en al de nacht niet zwijgen. „O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde", Jeremia 62:67. Doch het mag nimmer eenzijdig zijn; het eerste doen en het andere niet nalaten. Wij lezen ook in Jesaja 58:1: „Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jacobs hun zonden") Jesaja 58:1. En denk dan ook aan Jeremia, die van de Heere dé boodschap kreeg: "Gij dan, gord uw lendenen en maak u op en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla".

En Ezechiël werd vermaand om niet te vrezen, hoewel weerwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont. Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij u horen zullen, of dat zij het laten zullen (Jesaja 2:6-7). En helaas het is in onze dagen niet anders. Wat wordt er geijverd in onze dagen, om zoals het genoemd wordt: "De Schrift te verklaren, het Evangelie te verkondigen", de mensen te dringen te geloven enz. O, het klinkt alles zo geweldig, maar - maar - het is over het algemeen alles zo leeg, zo koud, en zo dood. Wel een voorwerp, maar geen onderwerp. Wel wordt er gezegd, hoe het moet zijn, maar zo weinig, hoe het is, en hoe het gaat. Nog na zovele jaren klinkt het soms in mijn oren, dat één onzer onvergetelijke en geliefde leraars zei in een preek: Paulus wist hoe het was, maar ook hoe het ging. Petrus moest op Goddelijk bevel afsteken naar de diepte, en daar is het voedsel voor Gods kerk. Wet en Evangelie moet gepredikt: die twee bazuinen moeten geblazen worden. Welk profijt zou het voor ons hebben, al zou de gehele wereld vol zijn met zalf, als wij geen wonden hebben? Dan zijn al de medicijnen waardeloos voor ons. Een hongerige ziel is alle bitter zoet, maar een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem. Het kwaad moet open gelegd, en de zonde moet bestraft worden. De bestraffende man in de poort wordt zo gemist. Het is over het algemeen: "Spreek tot ons zachte dingen". Ja, een mens wil niet verontrust worden, en eerlijk gezegd, hij wil maar bedrogen worden voor de eeuwigheid. Onze ouden spraken en schreven over een eenzijdig Godswerk, maar nu gaat het zachtjes aan afglijden naar een leer, waarvan wij straks niet anders zullen kunnen zeggen dan: een eenzijdig mensenwerk. Wij zijn gewaarschuwd; het is ons voorzegd. Maar wie heeft er acht op geslagen?

Ik schreef hierboven: aan de vooravond van (ik zal het nu maar verder neerschrijven, wat in mijn gedachten was) de afval. Christus heeft in Zijn omwandeling op aarde, inzonderheid aan het einde van Zijn leven, voor Zijn sterven, ons niet onbekend gelaten met hetgeen er plaats zou grijpen voordat Hij andermaal wederkomen zou om te oordelen de levenden en de doden. Hij sprak van de vervolging van de kerk, maar ook van de verleidingen des satans en van het diepe verval, dat in de kerk aanschouwd zou worden. Christus heeft te dien opzichte duidelijke taal gesproken. Ook de apostel Paulus heeft in enkele van Zijn doorluchte brieven over de afval geschreven, zie 2 Thess. 2, 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3. Volgens de verklaring die door onze kanttekenaars is gegeven, zal het een afval zijn van de zuiverheid des Evangelies.

Er wordt niet gezegd, dat er geen godsdienst meer zijn zal. O neen, een groot gedeelte van de wereld is vervuld met godsdienst. Vele steden en dorpen lijken op Athene, waar Paulus van schreef in Handelingen 17:22. Ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. De ene kerk na de ander verrijst, ener is geen eind meer aan de genootschappen en sekten, die als paddenstoelen uit de grond opkomen. Bij duizenden en miljoenen guldens worden er geofferd om een kerkgebouw te krijgen naar de eisen des tijds. De één wil boven de ander uitsteken en uitblinken. Paleizen van kerkert verrijzen er; van alle gemakken voorzien, en ingericht op zodanige wijze, dat men alles onder één dak heeft: het vlees kan er ook gevoed worden. En het is inderdaad met de vermenigvuldiging van de godsdiensten: Elk wat wils. Maar wanneer het tot het punt komt, het aller voornaamste punt: wat is de grondslag, waar gaat het om? dan al het antwoord niet bevredigend en bemoedigend kunnen zijn.

De algemene christelijke kerk is de heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. En dan de merktekenen van de ware kerk, waar toch elke kerk aan getoetst moet worden, zijn: zo de kerk de reine prediking des Evangelies oefent, indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft, zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. En de rechte verkondiging van het Woord is daar, waar God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd wordt. Waar de drie stukken van ellende, ' verlossing en dankbaarheid gepredikt worden op de grondslag van Gods onfeilbaar, dierbaar en alleen tot zaligheid leidend Woord. Waar voor niets anders plaats is dan voor de verkondiging van de leer van 'vrije genade, met uitsluiting van alle werk en bewegingen van de mens, wiens gerechtigheid voor God toch niet anders is dan een wegwerpelijk kleed. Ik zal het voor ditmaal niet verder uitbreiden. Doch in die enkele regels, overgenomen van hetgeen onze vaders ons hebben geleerd, is het duidelijk genoeg, dat wij onderscheid moeten maken tussen de ware en de valse kerk. De wereld is vol met kerkgebouwen, maar als het er op aan komt, dan is er maar ene ware Kerk. En dat is die Kerk, waar gebogen wordt, en erkenning gevonden van het enige Hoofd van de Kerk, nl. Christus Jezus. Daar waar Hij Koning is en waar onvoorwaardelijk gebogen wordt onder Zijn heerschappij en autoriteit. Waar Zijn wetten en ordinantiën alleen maar recht van bestaan hebben, aanvaard en geëerbiedigd worden. Ik toch, zo sprak de Vader in Ps. 2 : 6, heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Gods heiligheid. Die Kerk is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad, Jesaja 1:8.

Dat is Sion, niemand vraagt naar haar, Jesaja 30:17. Wanneer wij die kerk bezien van Gods zijde, en wat God er van denkt, en hoe die kerk is in de ogen van Christus, en. zoals' het volk van God er soms op staren mag? Dan kunnen wij geen beter en gepaster antwoord geven, dan wat wij lezen in Psalm 48:3-4: „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde, is de berg Sion, aan de zijden van het noorden de stad des groten Konings. God is in haar paleizen. Hij is er bekend voor een hoog vertrek". Dat is de onzichtbare kerk, en die kerk waarvan Christus betuigd heeft, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Zeker, daar zijn ook tijden geweest, dat de zichtbare kerk als een stad op een berg was, vanwege de glans die er op lag; de glans van de waarheid, en de glans van de godzaligheid.
Dat is zo geweest toen de jeugd van de kerk vernieuwd werd als van een arend, in de dagen van het doorluchte Pinksterfeest. Dat is ook aanschouwd, toen de ware Kerk zich van de valse kerk heeft afgescheiden. Toen de Reformatie veld won, het licht wederom op de kandelaar kwam, en de leer van vrije genade de overhand had, toen zovelen de martelaarskroon kregen, en de Heere Zijn kerk "als een lof op aarde" deed zijn. Helaas, nu moeten wij wel spreken over de vervallen hut Davids, vol met reten, Amos 9:11, vanwege de verbreking Jozefs en het verlaten van de Heere, van Zijn Woord en wet. In hoevele landen heeft God Zijn kerk gebouwd. Er zijn tijden geweest, dat er kracht van de kerk uitging, dat het was een lichtend licht, en een zoutend zout. Wat een professoren in de godgeleerdheid zijn er. geweest, die als leeuwen gevochten hebben voor de leer die naar den godzaligheid is. Wat hebben de hogescholen gebloeid, en wat zijn er in die tijden vele jonge mannen gevormd, die later als pilaren in Gods kerk gestaan hebben en met genade en gaven versierd, dé banier van de waarheid mochten opheffen, standvastelijk en onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren. Wat zijn vele preekstoelen vervuld geweest met gezalfde knechten, die donderden met hun stem en bliksemden met hun leven. Er zijn tijden geweest in verschillende landen, dat er vele banken en stoelen in de kerk bezet waren met de heiligen der hoge plaatsen en met de heerlijken, in dewelke al Gods lust was, dat de waarheid heerschappij had, en voor velen ten eeuwigen zegen was.

Doch nu is het over het algemeen: "Ik heb Mijn huis verlaten. Ik heb Mijn erfenis laten varen. Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven", Jeremia 12:7 enz. Zekerlijk Gods Geest zal niet geheel wijken van de kerk, en er zal een persoonlijke bediening blijven. Over het algemeen dan is het: "De tong van het zoogkind kleeft aan zijn verhemelte van dorst, de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de drek", Klaagliederen 4:4-5.
En terwijl ik dit alles schrijf, ben ik ervan overtuigd, dat er zullen zijn, die het niet overnemen. Buiten ons zijn er velen, die roemen over de zegeningen, die ze in hun kerkelijk leven hebben, zovelen toegang tot het Avondmaal gevraagd, het verenigingsleven bloeit enz. enz. Maar ook onder ons worden er gevonden, die het niet kunnen zien, dat het zo treurig gesteld is. Zij denken inderdaad, dat het te zwart getekend is. Er komt meer en meer een geest van oppervlakkigheid op, die zich tevreden stelt met de schors der waarheid, maar geen oog heeft voor het pit en merg derzelve. Maar ook gevoel ik, dat er hier en daar nog zielen zijn, die er met hun ganse hart mee instemmen zullen. Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame!

En om nu tot mijn onderwerp te komen, dan mocht de Heere" mijn hand en pen besturen, om enige zaken te ontvouwen ten opzichte van de ernstige en bange tijden die wij beleven. Door alle tijden heen zijn er naar Gods Woord mensen geweest, die van het geloof zijn afgevallen. Paulus klaagt: "Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen". Er is altijd kaf onder het koren geweest. Altijd zijn er mensen geweest, die zich voor een zekere tijd voordeden alsof zij levende leden van de Kerk waren, maar die openbaar geworden zijn als missende het leven, en als vijanden van God en Zijn volk. Er was zelfs een Judas in de kring der apostelen; een man die gepredikt heeft, duivelen uitgeworpen en vele krachten gedaan, doch die uiteindelijk onschuldig bloed heeft verraden. Denk ook om een Ananias en Saffira, die door God Zelf openbaar zijn gemaakt als mensen, wier hart vervuld was door de satan, dat zij de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven. Handelingen 5. Maar waar Paulus over schrijft, dat is wat anders. Hij heeft het oog op een afval, die algemeen wordt en zulke afmetingen aanneemt, als nog nooit tevoren in de kerk aanschouwd is. Gehele gezinnen, gehele families zullende waarheid vaarwel zeggen en breken met hetgeen waarin zij opgevoed en opgebracht zijn. De kerken, die eenmaal door hun vaderen gebouwd waren, zullen als zij niet verkocht zijn, overgenomen zijn voor publieke vermakelijkheden, door zeer weinigen meer bezocht worden. Een afval onder leraars, een afval onder leden, geen catechisaties meer.' De grote massa zal de waarheid de rug toekeren, en in een diep zondig leven zich rijp maken voor het naderende oordeel van de grote dag. Ja, er zal gelijk door één onzer ontslapen leraars opgemerkt is, een algemene afval van de kerk plaats vinden, nadat deze onder alle naties en geslachten en volken en talen zal zijn gesticht. Die afval zal geschieden onder een hoofd, nl. de mens der zonde, de zoon des verderfs, een omvangrijke afval, dat degenen, die dé kerk des Heeren verlaten, onder Satans aanvoering een macht zullen vormen ter bestrijding van Christus' Koninkrijk. Dat wil dus niet zeggen alleen, dat zij zich van de zuivere waarheid zullen afscheiden, maar dat ze ook de ware kerk Gods zullen gaan vervolgen. Dat zij met de waarheid de spot zullen drijven, en zich verenigen zullen onder de banier van de antichrist, om de kerk te benauwen, en zelfs in bittere vijandschap de leden van de ware kerk uit het publieke leven zullen uitsluiten. Zie wat daarvan voorspeld is in Openbaring 13.

Wat zijn nu de voortekenen van die grote afval en wat zijn (de redenen en gronden, waarom wij zo bevreesd zijn dat wij aan de vooravond van die afval zijn gekomen, of dat wij met rasse schreden er heengaan? Kort geleden las ik een artikel in een kerkelijk blad, waarin geklaagd werd over de ontheiliging van Gods dag. De ontheiliging van Gods dag? Ja, er werd opgemerkt, dat een groot gedeelte alleen maar ter kerk komt op zondagmorgen en dat zij de rest van de dag opeisen voor zichzelf, om op visite te gaan, uit te gaan en door te brengen tot verzadiging van hun eigen vlees. In een kanselboodschap, die in verschillende kerken werd voorgelezen kort geleden, werd er o.a. gewaarschuwd tegen de slechte invloed van zogenaamde realistische lectuur, films en van de televisie, die voor velen een ban dreigt te worden, zodat zij alles zien en op zich laten inwerken. De wereld is in de kerken gebracht, en de huizen zijn voor de wereld opengezet, en zeker wordt er door sommigen gewaarschuwd, maar alles is al zolang oogluikend toegelaten, dat velen reeds zo vergiftigd zijn, dat er, menselijk gesproken, geen genezen meer aan is. Het begin van de afval is er ongetwijfeld. Waar is de huisgodsdienst? Waar wordt er nog gesproken over de dingen der eeuwigheid? Waar is er nog tijd en gelegenheid om een gesprek te beginnen, en waar is er nog vrijmoedigheid om zich vrij te maken van het bloed onzer kinderen?

Alles werkt mee om tegen te werken. De jongens moeten leren, die meisjes moeten wat worden in de wereld. Catechisatie? Dat uur kan er bijna niet af. Het is inderdaad waar, dat er in onze dagen van de jonge mensen veel meer geëist wordt dan in de jaren die achter ons liggen. Maar de hoofdzaak dat er zo weinig belangstelling is voor het onderzoek der waarheid, is dat de liefde tot de waarheid gemist wordt. Als wij eerlijk de waarheid zullen schrijven zoals het is, dan moeten wij zeggen: de wereld komt eerst met al zijn uitgaan en vermaak. Dat is de reden waarom het catechisatie houden zo moeilijk wordt. Wie zal in deze dagen onder de jonge mensen voorbereid, ter catechisatie komen? Waar wordt Gods Woord nog onderzocht en waar vindt ge in de gezinnen de geschriften onzer vaderen? Er wordt meer geld gespendeerd voor tijdschriften, dan voor een oude schrijver. Laten wij het maar eerlijk zeggen: men heeft er geen belang meer bij. De onkunde wat de waarheid betreft, neemt hand over hand toe Vroeger werd in de huizen er nog over gesp rok en vroeger zat men nog te luisteren naar de gesprekken van het volk van God. Dan werd er nog gehoord, hoe God een mens bekeert en langs welke wegen God Zijn gunstgenoten leidt. Doch dat is ook over het algemeen zo ver weg. De goedertierene ontbreekt en de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensen, Psaln12:2. Het volk gaat weg op vele plaatsen, en die er nog zijn, hebben over het algemeen een magerheid aan hun ziel. Och ja, een magerheid vanwege het ver afleven van de Heere. En het is nog een wonder als er nog enkelen zijn op een plaats, dat ze nog met elkander leven kunnen en willen. Het ligt alles zo verbroken, het is meer een staan boven elkander, dan naast en achter elkander; meer een zuchten tegen elkander, dan om en met elkander. De duivel lacht er om, en de wereld spot er mee. En de oorzaak van dat alles? Het dadelijke leven wordt zo gemist, de oefeningen des geloofs zijn zo weinig, het leven legt zo weinig beslag, de vreze Gods weggebannen door de wereldgelijkvormigheid, en dat betekent dat de dam tegen de zonde weg is.

De Waarheid is nog niet geheel weg. Maar enige tijd geleden werd de opmerking gedaan: er is verschil tussen de waarheid en de oude waarheid. De bedoeling van die opmerking-was, de waarheid, oppervlakkig verklaard naar de letter, maar de oude waarheid, daar bedoelde die vrouw mee, dat er gesproken wordt naar het hart van Jeruzalem, Schriftuurlijk, bevindelijk, practicaal. Uiteindelijk is er vanzelf maar één waarheid.
Ik ga daar nu niet verder op in, maar wel wil ik opmerken, dat al is het de oude waarheid, toch is er nog zulk een verschil met hetgeen ons overgeleverd is. En wat dat verschil is, met insluiting van onszelf? Een ontslapen leraar zei eens na een ontmoeting met een beproefd kind des Heeren: ik heb de woorden, maar die man heeft de zaken. En nu kunnen onze woorden o zo rechtzinnig zijn, zwaar gereformeerd, maar, maar waar is de zalving van Gods Geest en dat ons hart, huis en kerk onder het spreken, bidden en preken en onderwijzen van de jeugd, vervuld worden met de reuk der zalf gelijk in Johannes 12:3?

Laten wij het maar eerlijk bekennen: dat is het gemis. Ik hoop geen mensen te verheerlijken of te verachten. Maar hoe vaak gebeurt het niet, wanneer wij de geschriften onzer vaderen ter hand nemen, dat het ons raakt, dat we onder de indruk van het geschrevene komen en dat er zulk een liefde in verklaard ligt, dat je dadelijk zegt: "dat is het". En oordeel nu zelf maar, hoe het over het algemeen in onze dagen is. Wij zijn meer dominees dan zondaars. Christus zei: Brengt van de vissen, die ge nu gevangen hebt. Verse vis, en die smaakt het lekkerst. Wat zijn er weinigen, gelijk eenmaal in Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. Schaamte, diepe schaamte moest onze harten en aangezichten wel bedekken. Het is meer onszelf op de been zien te houden, dan onze benen breken, meer ijveren voor onszelf, dan voor de eer Gods. Wat wordt de Heere Jezus veel voor de tweede maal gekruisigd en waar is er nog een wezenlijke ootmoedige benodiging van God de Heilige Geest, als Persoon en in Zijn bediening? Het oordeel begint van Gods huis. Het gaat zo gemakkelijk om de splinter in het oog onzes broeders te zien, maar om de balk in ons eigen oog eens waar te nemen en er last van te krijgen, dat is wat anders. O, wat zou het toch een weldaad zijn, als we zelf „de man" voor God mochten worden. En nu kan dat nog wel eens genoemd worden, maar de belijdenis is geen praktijk en de belijdenis brengt ons niet in de nood. Met al ons ootmoedig praten blijven wij voor God de hoogmoedige farizeeër. Wij kunnen onze klederen wel scheuren, maar ons hart blijft wat het is. Gods volk kan nooit afvallen, o neen, dat is onmogelijk. Zij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd, 1 Petrus 1:5. Wél kan er een vallen, en een diep verval in hun leven komen, dat er wel een onderhoudsleven is, maar geen gemeenschapsleven: Koud noch heet, maar lauw, gelijk wij lezen van de gemeente van Laodicea in Openbaring 3. En dat de wijze maagden met de dwaze in slaap zijn gevallen. Dat de Heere Zich nog over Zijn erfdeel ontfermen mocht, en dat het ook bij ons mocht worden als het was bij de profeet Micha: Mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.

De voortekenen van de "afval" worden meer en meer openbaar. Wij moeten wel moedwillig onze ogen sluiten om het niet te zien en op te merken. Het zal naar Gods Woord bang op de aarde worden. Wat voorspeld is, zal vervuld worden. Dat is zeker en gewis. En nu is het bang omdat het niet bang is. We zien het voor onze ogen. Wij nemen het waar, neen niet alleen in de grote wereld, die mét God geen rekening meer houdt, en zich rijp maakt voor het naderend oordeel. Maar ook op het erf van Gods kerk, in onze eigen omgeving, in hart en huis. Het verval is zo groot en het neemt steeds groter afmetingen aan, maar er is geen stem, noch opmerking. We worden alles zo gewoon. We schikken onszelf in de toestand en er is geen smart over. Wij roeren het nog wel eens aan, maar het werkt niets uit en het brengt ons niet op de rechte plaats. We zien het in de kerk, een geest van onverschilligheid, verzet, belangeloosheid en grote onvruchtbaarheid. De waarheid wordt schier niet meer verstaan en om de grondslagen van de leer is er weinig bekommering meer. Als God het niet verhoedt, dan zal er straks een gedeelte mensen liever een zondagschoollesje horen, dan een doorwrochte predicatie, waarin de grondslagen worden blootgelegd en verdedigd en het leven Gods verklaard, omdat het niet meer begrepen wordt. Waar nu nog driemaal dienst is, zal een gedeelte er wel voor stemmen om het tweemaal te doen. En wellicht waar het tweemaal is, zal men straks vragen om eenmaal. Hoe langer hoe meer gaan verschillenden het kerkgaan tot eenmaal beperken. In sommige gemeenten behoort het nu tot "enkele uitzonderingen", maar ook te dien opzichte zien we met vrees de toekomst tegemoet. De waarheid doet zo weinig kracht meer op de consciënties, de verharding neemt hand over hand toe, en de godsdienst wordt meer en meer bijzaak. De taak van de ambtsdragers in Gods kerk wordt steeds zwaarder en moeilijker, omdat de „tijdgeest" meer en meer veld wint en het leven steeds losser wordt. En in onze gezinnen? Och, wat een diep verval. Meer te klagen dan te roemen. De zonde is een hellend vlak. Hier wat toegeven; daar wat door de vingers zien, ginds wat overstappen, dan weer oogluikend toelaten wat verkeerd is, in plaats van te bestraffen en te vermanen. Een andere tijd: om de vrede te bewaren, over de consciëntie heenstappen en zwijgen. Meer liefde tot onze kinderen dan liefde tot God. De vrijmoedigheid om aan te houden in het vermanen gaat meer en meer weg. En daar gaat het heen! Altijd oorlog in huis, dat kan toch ook niet. En altijd maar waarschuwen op de catechisatie, dat wordt toch ook zo ellendig. Elke zondag de zonde bestraffen op de preekstoel, dat maakt de mensen ook zo opstandig. Je wordt er zelf ook .moe van. Uiteindelijk dan komen wij tot het besluit: het is toch een stroom die niet te keren is. Maar wij beseffen maar niet genoeg, dat wij God er aan wagen en zelf al maar dieper wegzinken. Het ongenoegen Gods komt; de Heere verbergt Zijn aangezicht. In het houden van Gods geboden is groot loon; maar die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen Psalm 32:5.

Och, waar zullen wij beginnen en eindigen! De oude paden zijn verlaten; afgeweken, afgedwaald en niet meer terug kunnen komen. Soms wordt er nog wel eens wat gezegd, maar de mens gaat door. En al is het met alle gebrek nog een weinig in de band, een mens moet tot God bekeerd worden. Straks wordt het eeuwigheid. En sterven gelijk wij geboren zijn, dat betekent voor eeuwig verloren, voor eeuwig onder Gods toorn en voor eeuwig van God gescheiden. De Heere Jezus heeft tot de Joden gezegd: Tenzij dat uw gerechtigheid overvloediger is dan der Schriftgeleerden, gij zult het Koninkrijk Gods niet ingaan. En ook die onvruchtbaarheid, onbekeerlijkheid, toenemende verharding, o wat drukt het weinig op onze zielen. Er moest wel een geschreeuw tot God opgaan, dag en nacht, maar och, het is alles zo stil. Het wordt alles zo een gewoonte, ook dat God Zich onttrekt van onze families en van ons geslacht.

Och, wat zou het een verandering geven in onze gezinnen als dat kindergeschreeuw nog eens vernomen werd. Dan zou de duivel wel boos zijn, maar het zou in onze gezinnen zulk een ander leven worden. Gods werk legt beslag, daar gaat wat van uit. Dan zou er niet veel meer te twisten zijn, of dit zonde is en of dat wel mag. Gods werk komt in de vrucht openbaar. Dan is er een haten en een laten van de zonde en een najagen van de gerechtigheid. Rechtvaardig kan de Heere ons overgeven, ook ons geslacht, ziende op al onze ontrouw en nalatigheid en verkeerde liefde. Ja, zien wij op onszelf, op onze biddeloosheid en behoefteloosheid, dan is er niet veel goeds te wachten. Als het van onze zijde komen moet, dan zal het wel kwijt zijn. Maar een weldaad, dat de Heere Zelf betuigd: Dit zij u bekend, o huis Israëls: Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde. O, dat het ons tot sterkte moge zijn, wat de dichter van de oude dag gezongen heeft in Psalm 105:5 (Datheen):
Want God gedenkt altijd genadig.
Aan Zijn verbond, hetwelk blijft gestadig.
En aan dat woord dat Hij heeft klaar
Toegezeid, en wil houden waar.
In 't duizendste geslacht dat leeft.
Zo Hij Abraham beloofd heeft.


Er zal een kerk blijven tot aan de afloop der eeuwen. O, dat wij met onze kinderen toch niet zullen wegzinken, maar opgehaald mogen worden, opgenomen en overgenomen in dat eeuwig Verbond, dat niet zal worden vergeten, Jesaja 50:5. Wat zou het een eeuwig Godswonder zijn, als God in Zijn soevereine genade nog bemoeienissen wilde maken en Zijn wonderen nog tot een gedachtenis stelde. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij mocht Zijn arm nog eens ontbloten, en Christus verheerlijken in de harten van zondaren, die nooit naar Hem gevraagd en nooit naar Hem gezocht hebben. Waard zijn wij het niet, en verdiend hebben wij het ook niet, maar de Heere mocht het nog doen tot de eer van Zijn driemaal heilige Naam, en tot verhoging van al Zijn deugden. God geve getrouw makende genade, om in een wegzinkende tijd niet meegevoerd en vervoerd te worden met de stroom des tijds, doch bewaard te worden in de grote verzoeking, die over de gehele aarde komen zal. Dat de eer Gods voor ons boven alles staan moge, en de liefde van Christus ons moge dringen. Dan zullen wij niet afwijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar gesterkt door de armen van de Machtige Jacobs, in de waarheid wandelen, en die waarheid zal ons vrijmaken. Dat geve de Heere uit genade om Christus' wil.

Grand-Rapids, wijlen ds. W.C. Lamain.
Wat kinderlijk eenvoudig toch.
Het is waar, de waarheid wordt bijna niet meer gehoord. Maar zeg deze teksten uit eigen naam en men klaagt dat je twijfel zaait en mensen hun bekering afpakt....
KDD
Berichten: 2629
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

ds. Thomas Boston schreef:
Nu moet ik aantonen hoe de ranken van de natuurlijke stam, de eerste Adam, worden afgesneden, en in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, worden ingeënt.
Het is aan de landman te danken, niet aan de rank, dat ze van haar natuurlijke stam wordt afgesneden en in de nieuwe stam wordt ingeënt. Als de zondaar van de eerste stam wordt afgehaald, dan is hij lijdelijk. Hij kanen wil ook niet uit eigen beweging eraf komen, maar hij klemt zich eraan vast, totdat hij door de kracht van de Almachtige eraf genomen wordt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke" (Johannes 6:44). En in Johannes 5:40: "En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben." De ingeente ranken zijn "Gods akkerwerk" (l Korinthe 3:9), "een planting des HEEREN" (Jesaja 61:3). Het gewone middel waarvan Hij gebruikmaakt bij dit werk, is de bediening van het Woord: "Wij zijn Gods medearbeiders" (l Korinthe 3:9). Maar de krachtige uitwerking ervan is geheel van Hem, welke bekwaamheden de predikant ook bezit, of hoe godvruchtig hij ook is: "Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God Die den wasdom geeft" (l Korinthe 3:7). De apostelen predikten tot de Joden, maar toch bleef de grootste meerderheid van dat volk ongelovig: "Wie heeft onze prediking geloofd?" (Romeinen 10:16). Ja, Christus Die sprak zoals nooit een mens had gesproken, zegt Zelf over de vrucht van Zijn eigen evangeliebediening: "Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdellijk toegebracht" (Jesaja 49:4). Er kan op de ranken gehakt worden door de prediking van het Woord, maar de slagen zullen er nooit doorheen gaan, totdat ze afdoende geraakt worden door een slag van een almachtige arm. Gods gewone wijze van handelen is echter om "door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven" (l Korinthe 1:21). De afsnijding van de rank van de natuurlijke stam wordt verricht door het snoeimes van de wet in de hand van Gods Geest: Want ik ben door de wet der wet gestorven" (Galaten 2:19). Wij zijn door de band van het verbond der werken, zoals ik hiervoor al gezegd heb, verbonden met onze natuurlijke stam. Daarom doen mensen met het verbond der werken, zoals een vrouw die niet gaarne verstoten wil worden, met de huwelijksband doet: zij pleit erop en zij klemt zich eraan vast. Zo doen mensen met het verbond der werken. Zij houden zich eraan vast, zoals de man die het schip met zijn handen vasthield: toen zijn ene hand eraf gehakt werd, bleef hij het schip vasthouden met zijn andere hand en toen allebei zijn handen eraf gehakt waren, hield hij het vast met zijn tanden. Dit zal blijken als wij het werk dat de Heere aan mensen besteedt wanneer Hij hen van de oude stam verwijdert, duidelijk in ogenschouw nemen. Ik stel nu voor dit te doen door u op de volgende bijzonderheden te wijzen.

Twaalf slagen waardoor een rank van de natuurlijke stam wordt afgesneden

1. Wanneer de Geest des Heeren in een persoon begint te werken om hem tot Christus te brengen, dan vindt Hij hem in een Laodicese toestand. Hij is vast in slaap, zich niet bewust van enig gevaar en hij droomt van de hemel en de gunst Gods, hoewel hij vol zonde is tegen de Heilige Israëls: "Gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt" (Openbaring 3:17). Daarom werpt de Geest enige lichtstralen in de duistere ziel en Hij laat de mens zien dat hij een verloren mens is, als hij geen nieuw blad opslaat en zich geen nieuwe levenswijze eigen maakt. Zo wordt er door de Geest des Heeren, Die handelt als de Geest der dienstbaarheid, een gerechtshof opgericht in het binnenste van de mens, waar hij wordt aangeklaagd, beschuldigd en veroordeeld wegens het verbreken van de wet Gods. Hij wordt overtuigd van zonde, en van gerechtigheid (Johannes 16:8). En nu kan hij niet langer gerust slapen in zijn vroegere levenswijze. Dit is de eerste slag die de rank krijgt om haar af te snijden.

2. Hierop verlaat de mens zijn vroegere goddeloze levenswijze. Hij verlaat zijn liegen, vloeken, sabbatsschending, stelen en andere praktijken, hoewel ze dierbaar voor hem zijn als zijn rechteroog. Hij zal ze liever laten varen dan zijn ziel verderven. Het schip gaat waarschijnlijk zinken, en daarom gooit hij zijn goederen overboord om zelf niet om te komen. En nu begint hij zichzelf in zijn hart te zegenen, en zijn bewijsstukken voor de hemel met blijdschap te bezien, terwijl hij zichzelf een betere dienstknecht van God vindt dan vele anderen: "O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers", enzovoort (Lukas 18:11). Hij krijgt echter spoedig weer een slag met de bijl van de wet, die hem laat zien, dat alleen hij die doet hetgeen geschreven is in het boek der wet, erdoor zalig kan worden. Zij laat hem ook zien dat zijn negatieve heiligheid een te geringe beschutting is tegen de storm van Gods toorn. En zo, hoewel zijn zonden van bedrijf daarvóór zwaar op hem rustten, beginnen nu zijn zonden van nalatigheid zich te verdringen in zijn gedachten en dat gaat gepaard met een reeks vloeken van de wet en van wraak. En elk van de Tien Geboden brandt op hem los met donderslagen van toorn, omdat hij de plichten die van hem geëist werden, heeft verzuimd.

3. Daarop gaat hij trachten een positief heilige levenswijze te leiden. Hij is niet alleen niet goddeloos meer, maar hij verricht ook godsdienstige plichten. Hij bidt, hij tracht zich de godsdienstige principes eigen te maken, hij onderhoudt de dag des Heeren stipt en zoals Herodes "doet hij vele dingen" en hoort predikaties "gaarne". Kortom, er is een grote mate van gelijkvormigheid in zijn uiterlijk gedrag aan de letter van de beide tafelen der wet.
En nu is er in die mens een geweldige verandering te zien, die zijn buren wel op moeten merken. Hij wordt daarom door de Godvruchtigen met blijdschap als een biddend mens in hun gezelschap toegelaten. Hij kan met hen spreken over godsdienstige zaken, ja, zelfs over zielsbevindingen waar sommigen geen kennis van hebben. En het goede oordeel dat zij over hem hebben, bevestigt het goede oordeel dat hij over zichzelf heeft. Deze stap in de godsdienst is voor velen die nooit verder komen, noodlottig.

4. Maar hier brengt de Heere aan de uitverkoren rank een nieuwe slag toe. De consciëntie beschuldigt hem heftig van enige verkeerde stappen die hij gedaan heeft in zijn levenswandel: de verwaarlozing van een of andere plicht, of het begaan van een of andere zonde die een smet werpt op zijn levenswandel. Dan verschijnt het vlammend zwaard van de wet boven zijn hoofd en de vloek weerklinkt in zijn oren, omdat hij "niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Galaten 3:10). 4. Om deze reden is hij verplicht een andere zalf te zoeken voor zijn pijnlijke wond. Hij gaat tot God, belijdt zijn zonden en hij smeekt om vergeving ervan, terwijl hij belooft er in de toekomst voor op zijn hoede te zijn. Zo vindt hij rust en denkt dat hij die wel nemen mag, aangezien de Schrift zegt: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve" (1 Johannes 1:9). Hij houdt er geen rekening mee, dat hij grijpt naar een voorrecht dat alleen toekomt aan hen die ingeënt zijn in Christus en in het verbond der genade zijn opgenomen. De ranken echter die nog aan de oude stam groeien, kunnen daarop niet pleiten.
En hier worden soms nadrukkelijke en speciale geloften gedaan tegen die en die zonde en verbinden zij zich tot die en die plicht. Zo doen velen heel hun leven en zij kennen geen andere godsdienst dan het doen van hun plichten. Zij belijden de dingen waarin zij tekortschieten en vragen er vergiffenis voor, terwijl zij zichzelf de eeuwige gelukzaligheid beloven, hoewel zij volslagen vreemdelingen zijn van Christus. Hier zijn vele uitverkorenen gewond terneer geworpen en vele verworpenen zijn hier gedood, terwijl de wonden van geen van beiden diep genoeg waren om hen van hun natuurlijke stam af te snijden. Maar de Geest des Heeren geeft de rank die afgesneden moet worden, een slag die nog dieper gaat. De Geest toont hem dat hij tot nu toe slechts een heilige aan de buitenkant geweest is. De Geest ontdekt hem aan de vuile lusten die in zijn hart wonen, waaraan hij daarvoor geen aandacht schonk: "Maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden" (Romeinen 7:9). Dan ontdekt hij dat zijn hart een mesthoop is van helse lusten, gevuld met hebzucht, trotsheid, boosaardigheid, vuilheid en dergelijke. Nu, zodra de deur van "zijn geheelde binnenkameren" zo voor hem geopend wordt en hij ziet wat "zij doen in de duisternis", dan blijft er van zijn uiterlijke godsdienst niets over. Dan leert hij een nieuwe godsdienstige les, namelijk: Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is" (Romeinen 2:28).

5. Daarop gaat hij verder, en gaat hij zich zelfs bezighouden met zijn inwendige godsdienst. Hij gaat krachtiger aan het werk dan ooit tevoren. Hij treurt over de boosheden van zijn hart, en hij tracht het onkruid te overwinnen dat hij in die verwaarloosde tuin ziet groeien. Hij spant zich in om zijn hoogmoed en zijn hartstocht te bedwingen en om onkuisheden die hij overdenkt, uit te bannen. Hij bidt inniger, luistert aandachtiger en tracht zijn hart tot ontroering te brengen bij iedere godsdienstige plicht die hij vervult.
Zo gaat hij van zichzelf denken dat hij niet alleen een uitwendige, maar ook een inwendige christen is. U moet zich hier niet over verwonderen, want er zit hier niets in dat de kracht van de natuur te boven gaat, of wat men kan bereiken onder de krachtige invloed van het verbond der werken. Daarom wordt er een slag toegebracht, die nog dieper gaat. De wet legt de consciëntie van die mens ten laste, dat hij "een overtreder van den buik af is geweest, dat hij als een schuldig schepsel ter wereld is gekomen. De wet beschuldigt hem ervan dat hij in de tijd van zijn onwetendheid en zelfs sinds zijn ogen geopend werden, schuldig is geweest aan vele dadelijke zonden, die hij helemaal over het hoofd heeft gezien, of die hij niet voldoende betreurd heeft. Geestelijke zweren, die niet genezen zijn door het bloed van Christus, maar op een of andere wijze oppervlakkig geheeld zijn, raken immers gemakkelijk geïrriteerd en breken even spoedig weer open. En daarom grijpt de wet hem bij de keel en zegt: "Betaal mij wat gij schuldig zij t."

6. Dan zegt de zondaar in zijn hart: "Wees lankmoedig over mij, en ik zal U alles betalen." Zo gaat hij aan het werk om een beledigd God te verzoenen en om boete te doen voor zijn zonden. Hij vernieuwt zijn bekering, tenminste wat er voor door moet gaan. Hij verdraagt geduldig al de verdrukkingen die hij moet ondergaan, ja, hij kwelt zichzelf door zich het gebruik van zijn wettige geriefelijkheden te ontzeggen. Hij zucht zwaar, treurt bitterlijk en roept onder tranen om vergeving, totdat hij zichzelf zover heeft gebracht dat hij zich verbeeldt dat hij deze verkregen heeft. Zo heeft hij dus boete gedaan voor wat "tevoren geschied is" en heeft hij besloten een goede dienstknecht van God te zijn en om in de toekomst de Heere inwendig en uitwendig te blijven gehoorzamen. Maar de slag moet toch nog dichter bij het hart gebracht worden, voordat de rank eraf valt. De Heere laat hem in de spiegel van de wet zien hoe hij zondigt in alles wat hij doet, zelfs in het beste wat hij kan doen en daarom klinkt die vreselijke roep opnieuw in zijn oren: "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Galaten 3:10). Toen gij vasttet en rouwklaagdet", zegt de Heere, "hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast?" Zal modderig water schone kleren maken? Zult u voor één zonde voldoen met een andere zonde? Dwaalden uw gedachten niet af bij het doen van die of die plicht? Waren uw genegenheden niet mat bij een andere? Wierp uw hart geen zondige blik op die of die afgod? En rees er geen vlaag van ongeduld op in uw hart onder die of die verdrukking? "Zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand?... Ja, vervloekt zij de bedrieger, die... offert wat verdorven is" (Mal. 1:13,14). En zo wordt hij zover afgebroken, dat hij inziet, dat hij niet in staat is om te voldoen aan de eisen van de wet.

7. Daarom gaat hij, als een gebroken mens die ziet dat hij niet in staat is om al zijn schulden te betalen, een schikking maken met zijn schuldeiser. En omdat hij streeft naar rust en troost, doet hij wat hij kan om de wet te vervullen en wat betreft datgene waarin hij tekortschiet, daarvan verwacht hij dat God de wil voor de daad zal aannemen. Terwijl hij zo zijn best doet en het nog beter wil doen, gaat hij op een bedrieglijke wijze zichzelf wijsmaken dat zijn staat goed is. Hierdoor worden er duizenden verdorven. Maar de uitverkorenen krijgen een nieuwe slag, die hen in deze toestand hun houvast doet verliezen. De leer van de wet dringt zich aan hun consciëntie op, en ze toont hen aan dat nauwgezette en volkomen gehoorzaamheid aan de wet vereist is, op straffe van de vloek. Ze toont hen aan dat het doen van de wet, niet het wensen te doen, zal baten. Wensen het beter te doen, zal niet beantwoorden aan de eisen van de wet. En daarom klinkt de vloek weer: "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft..., om dat te doen." Dat houdt in dat men dat daadwerkelijk moet doen. Het is tevergeefs om te wensen dat te doen.

8. Daar hij alle hoop om een schikking te treffen met de wet, heeft moeten opgeven, begint hij nu te lenen. Hij ontdekt dat alles wat hij kan doen om de wet te gehoorzamen en al zijn begeerten om beter te zijn en beter te doen, zijn ziel niet zal redden. Daarom wendt hij zich tot Christus, en smeekt Hem of Zijn gerechtigheid mag aanvullen wat er aan zijn eigen gerechtigheid ontbreekt, en of Hij al de gebreken van zijn doen en van wat hij moet ondergaan, wil bedekken. Hij smeekt of God hem zo om Christus" wil zou willen aannemen, en of hij daarop met Hem verzoend mag zijn. Terwijl hij zo bezig is om te doen wat hij kan om de wet te vervullen en van Christus verwacht dat Hij al zijn gebreken zal goedmaken, valt hij tenslotte met een gerust en veilig gevoel in slaap. Vele mensen storten zich op deze wijze in het verderf. Dit was de dwaling van de Galaten, die Paulus in zijn zendbrief aan hen, bestrijdt. Maar Gods Geest breekt de zondaar ook af van dit houvast door zijn consciëntie van die grote waarheid te doordringen: "Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven" (Galaten 3:12). Er is in deze zaak geen vermenging van de wet en van het geloof. De zondaar moet bij een van beide blijven en de ander loslaten. De weg der wet en de weg des geloofs zijn zozeer verschillend, dat het voor een zondaar niet mogelijk is op de één te wandelen, tenzij hij de andere verlaat. Als hij voor het "doen" kiest, dan moet hij het helemaal alleen doen. Christus zal geen gedeelte voor hem doen als hij niet alles doet. Een kleed dat samengesteld is uit allerlei soorten gerechtigheid, is geen kleed dat gepast is voor het hemelhof. Zo wordt de mens, die droomde en dacht dat hij at, wakker geschud door de slag en zie: zijn ziel is flauw. Zijn hart zinkt in hem als een steen, omdat hij bemerkt dat hij zijn last niet alleen kan dragen, en dat hij ook geen hulp kan krijgen.

9. Wat kan nu iemand doen, die wel moet betalen en toch geen geld genoeg van zichzelf heeft om zich uit de schuld te halen en ook niet zoveel kan lenen en die "zich schaamt om te bedelen?" Zeg eens, wat kan zo iemand anders doen dan "zichzelf verkopen", zoals de man onder de wet die verarmd was"? (Lev. 25:47). Daarom tracht de zondaar die van zoveel houvasten is afgeslagen, een overeenkomst met Christus te sluiten en, als ik het zo eens mag zeggen, zichzelf aan de Zoon van God te verkopen, terwijl hij plechtig belooft en verklaart dat hij een dienstknecht van Christus wil zijn zo lang als hij leeft, indien Hij zijn ziel wil redden.
En hier maakt de zondaar dikwijls een persoonlijk verbond met Christus en geeft zichzelf op deze voorwaarden aan Hem over. Ja, hij gebruikt zelfs het sacrament om de koop zeker te maken. Daarop is de grote zorg van die mens hoe hij Christus moet gehoorzamen, hoe hij Zijn geboden moet onderhouden om zo aan zijn overeenkomst te voldoen. En hierin vindt de ziel gedurende enige tijd een valse en ongezonde vrede, totdat de Geest des Heeren weer een slag toebrengt om de mens eveneens af te snijden van deze toevlucht der leugen.
En dat gebeurt op deze manier: wanneer hij er niet in slaagt om de plichten te vervullen die hij op zich genomen heeft en wanneer hij weer in de zonde valt waartegen hij een verbond had gemaakt, dan wordt de ziel er op krachtige wijze van doordrongen dat zijn verbond verbroken is. Zo verdwijnt al zijn troost en verschrikkingen maken zich opnieuw meester van zijn ziel, omdat hij iemand is die het verbond met Christus verbroken heeft. Gewoonlijk vernieuwt de mens het verbond om zich¬zelf te helpen, maar hij verbreekt het weer zoals daarvoor. En hoe is het mogelijk dat het anders zou zijn, aangezien hij nog steeds aan de oude stam vastzit? Zo is het werk van velen aangaande hun ziel heel hun leven niets anders dan het maken en verbreken van zulke verbonden, telkens en telkens weer.

Tegenwerping. Sommigen zullen misschien zeggen: Wie leeft er, die niet zondigt? Wie is er die niet tekortschiet in het vervullen van zijn plichten die hij op zich genomen heeft? Als u deze weg als ondeugdelijk afwijst, wie kan dan zalig worden?"
Antwoord. Ware gelovigen zullen behouden worden, namelijk allen die door het geloof Gods verbond aangrijpen. Maar dit soort verbond is een verbond van de mens zelf, een uitvinding van zijn eigen hart. Het is niet het verbond van God, dat bekendgemaakt wordt in het Evangelie van Zijn genade. En het maken ervan is niets anders dan het maken van een werkverbond met Christus, waarbij de wet en het Evangelie met elkaar verward worden. Het is een verbond dat Hij nooit zal onderschrijven, al zouden wij het ondertekenen met ons hartenbloed: Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel gewor-den en de beloftenis tenietgedaan" (Romeinen 4:14). "Daarom is zij uit het geloof, opdat ze zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al den zade" (vers 16). "En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer" (Romeinen 11:6). Gods verbond is eeuwig; eenmaal in het verbond, nooit meer eruit; en de weldadigheden zijn "gewisse weldadigheden" (Jesaja 55:3). Maar dat verbond van u is een wankelend verbond; het is nooit zeker, maar het wordt iedere dag verbroken. Het is enkel en alleen een slaafs verbond, waarbij Christus gediend wordt voor de zaligheid. Gods verbond is echter een kinderlijk verbond, waarin de zondaar Christus en Zijn zaligheid, die vrij wordt aangeboden, aanneemt, en zo "een zoon wordt": "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven zonen Gods te worden" (Johannes 1:12; Engelse vertaling). Daar hij een zoon geworden is, dient hij zijn Vader, niet opdat de erfenis de zijne zou mogen worden, maar omdat ze de zijne is door Jezus Christus (zie Galaten 4:24 en verder). Het aangaan van dat valse verbond houdt in dat men van Christus koopt met geld, maar het aangrijpen van Gods verbond houdt in dan men van Hem koopt "zonder geld en zonder prijs" (Jesaja 55:1); dat wil zeggen dat men van Hem bedelt. In dat valse verbond werken de mensen voor hun leven, in Gods verbond komen zij tot Christus en werken zij vanuit het leven. Wanneer de mens onder dat valse verbond tekortschiet in het doen van zijn plicht, dan is alles verloren en moet het verbond opnieuw aangegaan worden. Maar al schiet de mens onder het verbond Gods tekort in het doen van zijn plicht; en al valt hij vanwege zijn tekortkomingen onder de tucht van het verbond; en al ligt hij onder het gewicht ervan tot het moment dat hij zijn toevlucht neemt tot het bloed van Christus om vergeving te verkrijgen en zijn bekering te vernieuwen, dan blijft toch alles waarop hij zich verliet voor zijn leven en zijn zaligheid, namelijk de gerechtigheid van Christus, geheel van kracht en blijft het verbond vast (zie Romeinen 7:24, 25 en 8:1).
Nu, al brengen sommige mensen hun leven door met het maken en verbreken van zulke verbonden die van henzelf zijn, dan wordt de schrik van het verbreken ervan langzamerhand steeds zwakker, totdat het tenslotte weinig of geen ongerustheid meer bezorgt. Toch ontdekt de mens in wie het goede werk zijn voortgang heeft tot het voltooid is met de afsnijding van de oude stam, dat deze verbonden gelijk zijn aan vergane touwen, die bij elke aanraking afbreken. Daar de verschrikking Gods daarop aan zijn ziel verdubbeld wordt, en de wateren telkens over zijn ziel gaan, is hij verplicht op te houden met het aangrijpen van zulke verbonden en met het zoeken van hulp op een andere wijze.

10. Daarop gaat de mens tenslotte aan Christus' deur om genade bedelen, maar toch is hij een trotse bedelaar, die op zijn persoonlijke waardigheid staat. Want zoals de Roomsen naast de ene en enige Middelaar, andere middelaars hebben om voor hen te pleiten, zo hebben de ranken van de oude stam altijd wel iets dat zij voor de dag kunnen halen, dat, naar zij denken, hen aan Christus kan aanbevelen en Hem ertoe kan bewegen Zich met hun zaak te belasten. Zij kunnen er niet aan denken naar de geestelijke markt te komen zonder geld in hun Handelingen Zij zijn als mensen die zelf eens in het bezit waren van een landgoed, maar die tot uiterste armoede zijn vervallen, en zijn gedwongen om te bedelen. Wanneer zij beginnen te bedelen, dan herinneren zij zich hun vroegere positie nog en hoewel zij hun vermogen zijn kwijtgeraakt, hebben zij toch veel van hun vroegere geestesgesteldheid behouden. Daarom kunnen zij zich niet voorstellen, dat zij als gewone bedelaars behoren behandeld te worden. Zij vinden dat zij een bijzondere achting verdienen en als deze hun niet wordt geschonken, dan komt hun geest in opstand tegen hem tot wie zij zich wenden om in hun noden te voorzien. Zo schenkt God de onvernederde zondaar vele algemene weldaden, en sluit hem niet op in de kuil overeenkomstig naar wat hij verdient. Maar dit alles is niets in zijn ogen. Hij moet aan de tafel van de kinderen gezet worden; anders acht hij zich hard en onrechtvaardig behandeld. Hij is immers nog niet zo diep vernederd dat hij denkt dat "God rechtvaardig is in Zijn spreken" tegen hem en "rein" is van alle ongerechtigheid in "Zijn richten" tegen hem vanwege zijn echte tekortkomingen (Psalm 51:6). Hij denkt misschien dat zelfs voordat hij verlicht werd, hij beter was dan vele anderen. Hij overweegt de verbetering van zijn leven, zijn berouw, de droefheid en de tranen die zijn zonde hem gekost hebben, zijn ernstige begeerten naar Christus, zijn gebeden en worstelingen om genade. Hij gebruikt deze nu allemaal als steekpenningen om genade te verkrijgen en hij hecht er geen klein gewicht aan bij zijn toenaderingen aan de troon der genade. Maar hier schiet de Geest des Heeren een bundel pijlen in het hart van de mens, waardoor zijn vertrouwen in deze dingen in de grond geboord wordt en vernietigd. In plaats dat hij zichzelf beter vindt dan velen, moet hij in gaan zien dat hij erger is dan wie ook. Hij ontdekt de waardeloosheid van zijn levensverbetering. In zijn ogen is zijn berouw niet beter dan het berouw van Judas. Zijn tranen zijn gelijk aan Ezaus tranen en zijn begeerten naar Christus schijnen hem egoïstisch en walgelijk toe, zoals die van hen die Christus zochten Vanwege de broden" (Johannes 6:26). Het antwoord dat hij van God ontvangt, schijnt nu te zijn: "Ga weg, trotse bedelaar; hoe zal Ik u onder de kinderen stellen?" Hij schijnt hem streng aan te zien, vanwege zijn versmading van Jezus Christus door ongeloof, wat een zonde is die hij daarvoor nauwelijks onderscheidde. Maar nu ziet hij deze tenslotte in haar karmozijnrode kleuren en zijn hart wordt als met duizend pijlen doorstoken, omdat hij ziet dat hij steeds maar blindelings is voortgegaan, terwijl hij zondigde tegen het geneesmiddel voor de zonde en in zijn gehele levenswandel het bloed van de Zoon van God vertrad. En nu is hij in zijn eigen ogen het ellendige voorwerp van de wraak van de wet, ja, zelfs ook van de wraak van het Evangelie.

11. De mens die zover vernederd is, zal niet meer pleiten dat "hij waardig is, dat Christus hem dat doet." Integendeel, hij acht zichzelf Christus niet waardig, en de gunst Gods niet waardig. Wij kunnen hem in deze toestand vergelijken met de jongeman die Christus volgde, "hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem. En hij het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden" (Markus 14:51,52). Zo was ook die mens Christus gevolgd in het dunne en koude kleed van zijn eigen persoonlijke waardigheid, maar hierdoor, zelfs hierdoor waarop hij zozeer vertrouwde, grijpt de wet hem vast om hem gevangen te nemen. Dan wil hij dat kleed graag achterlaten en vlucht hij naakt weg, maar toch niet tot Christus, maar bij Hem vandaan. Als u nu tot hem zegt, dat hij bij Christus welkom is, als hij naar Hem wil komen, dan is hij geneigd te zeggen: "Kan zulk een walgelijk en onwaardig, ellendig schepsel zoals ik, welkom zijn bij de heilige Jezus?" Als er een pleister werd gelegd op zijn gewonde ziel, dan zou deze niet vast willen hechten. Hij zegt: "Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Lukas 5:8).
Om hem te troosten hoeft niemand tegen hem over zijn bekering te spreken, want hij kan er gemakkelijk zulke gebreken in ontdekken dat die haar waardeloos maken. Men behoeft hem ook niet over zijn tranen te spreken, want hij is er zeker van dat ze nooit in "Gods fles" zijn gekomen. Hij redeneert zichzelf weg van Christus, en omdat hij zulk een verachter van Christus is geweest en zulk een onheilig en walgelijk schepsel, komt hij tot de conclusie dat hij niet tot Christus kan komen, niet wil komen en niet behoort te komen, en dat hij in een betere staat moet zijn, of anders nooit zal geloven.
Vandaar dat hij nu de krachtigste pogingen doet om datgene te verbeteren wat er daarvoor verkeerd was in zijn levenswijze. Hij bidt ernstiger dan ooit, hij weent bitterder, hij strijdt krachtiger tegen de zonde in zijn hart en zijn leven, en waakt vlijtiger, alsof het mogelijk zou zijn door enig middel tenslotte bekwaam te zijn om tot Christus te komen. Men zou denken, dat die mens nu voldoende vernederd is, maar helaas! Duivelse hoogmoed houdt zich schuil onder de sluier van al deze geveinsde nederigheid. Als een rank die uit de oude stam is voortgekomen, blijft ze er nog aan vastzitten en wil hij zich niet "onderwerpen aan de rechtvaardigheid Gods" (Romeinen 10:3). Hij wil niet "zonder geld" naar de markt van vrije genade komen. Hij is uitgenodigd voor de bruiloft van de Zoon des Konings, waar de Bruidegom al de gasten voorziet van bruiloftsklederen en hun eigen kleren uittrekt. Hij wil echter niet ko¬men, omdat het hem ontbreekt aan een bruiloftskleed, zij het dat hij zeer druk bezig is er een gereed te maken.
Dat is een droevig werk en daarom moet hij nog een slag krijgen die nog dieper gaat, anders is hij bedorven. Deze slag wordt hem toegebracht met de bijl van de wet in haar prikkelende kracht. Wanneer de wet de ziel zo omgordt met koorden des doods en haar zo beteugelt met de strenge geboden van gehoorzaamheid op straffe van de vloek en God zo in Zijn heilig en wijs beleid Zijn weerhoudende genade terugtrekt, dan wordt de verdorvenheid geprikkeld, de wellusten worden heftig en hoe meer hij ertegen strijdt, hoe meer ze woeden. Net zoals een wild paard dat in toom gehouden wordt met het bit. Dan beginnen verdorvenheden die hij nooit eerder in zichzelf opgemerkt heeft, de kop op te steken. Hier stijgen dikwijls atheïsme en godslastering op, kortom: afschuwelijke gedachten aangaande God, vreselijke gedachten aangaande het geloof stijgen op in zijn hart. Zodoende is zijn hart werkelijk een hel in zijn binnenste. Terwijl hij zo aan het vegen is in het huis van zijn hart, dat nog niet bevochtigd is met de genade van het Evangelie, vliegen deze verdorvenheden die daarvoor stil in verwaarloosde hoeken lagen, erin als stof omhoog en omlaag. Hij is als iemand die een dam aan het herstellen is. Terwijl hij bezig is de breuken te repareren en elk deel ervan te verstevigen, komt er een machtige vloed aan die zijn werk vernietigt. Die vloed drijft alles voor zich uit, zo-wel wat pas aangelegd is, als wat er tevoren was aangelegd (lees Romeinen 7:8-10 en 13). Dit is een slag die het hart raakt. En hierdoor wordt zijn hoop dat hij zichzelf bekwamer zal maken om tot Christus te komen, afgesneden.

12. Nu is de tijd gekomen dat de mens die dobbert tussen hoop en wanhoop, besluit om tot Christus te gaan, zoals hij is. En daarom, zoals een stervende man zich uitstrekt, juist voordat hij de laatste adem uitblaast, verzamelt hij de gebroken krachten van zijn ziel: hij tracht te geloven en op de een of andere manier grijpt hij Christus aan. En nu hangt de rank nog aan de oude stam met slechts één enkel draadje van een natuurlijk geloof, dat voortgebracht wordt door de natuurlijke kracht van iemands eigen geest, terwijl hij zich dringend genoopt ziet zich tot God te wenden: "Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg. En gedachten dat God hun Rotssteen was en God de Allerhoogste hun Verlosser" (Psalm 78:34, 35). "Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God, wij, Israël kennen U" (Hoséa 8:2). Maar de Heere, Die er zorg voor draagt Zijn werk te voltooien, brengt nog een slag toe, waardoor de rank er helemaal afvalt. De Geest Gods ontdekt op overtuigende wijze de zondaar, dat hij totaal onbekwaam is om iets te doen dat goed is en dus "sterft" hij (Romeinen 7:9). Die stem klinkt krachtig door in zijn ziel: "Hoe kunt gij geloven?" (Johannes 5:44). U kunt evenmin geloven, als dat u met uw hand de hemel kunt bereiken en Christus vandaar kunt laten neerdalen. En zo bemerkt hij tenslotte dat hij zichzelf niet kan helpen door te werken en ook niet door te geloven. En omdat hij niets meer heeft waarmee hij zich aan de stam kan vastklemmen, valt hij er daarom af. En terwijl hij zo benauwd is, omdat hij denkt dat hij weggevoerd zal worden door de vloed van Gods toorn, en dat hij niet eens een hand zal kunnen uitsteken om een takje vast te grijpen van de Boom des levens, die groeit aan de oevers van de rivier, wordt hij opgenomen en ingeënt in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, Die hem de Geest des geloofs geeft.

Met wat er over deze hoofdgedachte is gezegd, is het niet mijn bedoeling om tere consciënties te kwellen of te bedroeven. Want hoewel er tegenwoordig slechts weinig zulke mensen met tere consciënties zijn, zo verhoede God het dat ik één van de kleinen van Christus zou ergeren. Maar helaas! Een doodse slaap is nu op dit geslacht gevallen. Zij willen niet wakker worden, al raken wij hen nog zo gevoelig. Daarom vrees ik dat dit geslacht waarop preken geen enkele vat hebben, een ander soort ontwaken wacht, wat een ieder die het hoort, de oren zal doen klinken. Ik wil echter niet dat dit beschouwd wordt als de methode waartoe de Heere Zich beperkt, wanneer Hij de zondaar afbreekt van de oude stam. Maar dit handhaaf ik als een zekere waarheid, dat allen die in Christus zijn, afgebroken zijn van al die verschillende dingen waarop zij hun vertrouwen stelden, en dal zij die er nooit van afgebroken werden, nog steeds in hun natuurlijke stam zijn. Niettemin, als het huis afgebroken is en het oude fundament is geslecht, dan komt dat op hetzelfde neer, of het nu steen voor steen werd afgebroken, of dal het ondergraven werd en alles tegelijk instortte.
Nu is de rank ingeënt in Jezus Christus, en zoals de wet in de hand van Gods Geest het werktuig was om de rank van de natuurlijke stam af te snijden, zo is het Evangelie in de hand van dezelfde Geest, het instrument om haar in te enten in de bovennatuurlijke stam, l Johannes 1:3: "Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze ge¬meenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus" (zie Jesaja 61:1-3). Het Evangelie is het zilveren koord dat van de hemel is neergelaten om zondaars die op het punt staan om te komen, aan land te trekken. En hoewel de prediking van de wet de weg des Heeren voorbereidt, toch is het zo dat Christus en de zondaar elkaar ontmoeten in het Woord van het Evangelie. Nu, zoals bij de natuurlijke enting de rank wordt opgenomen en in de stam gezet en er één mee wordt als ze erin is gezet, waardoor ze met elkaar verenigd zijn, zo is het ook bij de geestelijke enting. Christus grijpt de zondaar, en de zondaar die door Christus gegrepen is, grijpt Hem, en zo worden zij één (Filipp. 3:12).
Arja
Berichten: 3371
Lid geworden op: 30 mei 2019, 15:57

Re: Long Reads

Bericht door Arja »


En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.
Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.


Toen wij als leiderschaps-team het boek "What Is an Evangelical?" van Martyn Lloyd-Jones lazen, viel vooral zijn helderheid en eerlijkheid op. Lloyd-Jones stond bekend als een krachtige en scherpe denker — geen man van vaagheid of diplomatiek ontwijken. Tegelijk was hij niet hard van aard, maar wel principieel en duidelijk in wat voor hem wezenlijk was. Op een gegeven moment maakt hij een opmerking. Hij zegt als het ware: laat mij benoemen op welke punten ik de gemeenschap met andere christenen níet zal verbreken.

1. Allereerst noemt hij de leer van verkiezing en predestinatie. Hoewel hij zelf sterk de soevereiniteit van God benadrukte, stelt hij dat deze leer niet de grond van christelijke gemeenschap is. Verkiezing en predestinatie beschrijven hoe het heil wordt begrepen, maar zij zijn niet het middel waardoor wij gered worden. Redding is niet gelegen in een systeem of verklaring, maar in de Persoon van Jezus Christus Zelf.
2. Vervolgens noemt hij de doop. Hij weigert gemeenschap te verbreken over verschillen in visie op de doop, of het nu gaat om de leeftijd, de wijze of de hoeveelheid water. Hij erkent dat deze vragen belangrijk kunnen zijn en dat hij daar zelf overtuigingen over heeft, maar hij beschouwt ze als ondergeschikt aan de kern van het evangelie.
3. Ten slotte noemt hij de kerkvorm en het kerkbestuur. Of een gemeente nu episcopaal, presbyteriaal of congregationalistisch is ingericht, dat is voor hem geen reden om de onderlinge gemeenschap te verbreken. Ook dit behoort niet tot de essentie van het evangelie.

Wat Lloyd-Jones hier doet, is een duidelijke rangorde aanbrengen: er zijn zaken van groot gewicht, maar niet alles is van beslissend belang voor de eenheid van gelovigen. De gemeenschap van de heiligen rust uiteindelijk niet op volledige overeenstemming in alle leerstellige of kerkelijke details, maar op het gedeelde geloof in Christus.
Uit een preek: https://www.truthforlife.org/resources/ ... one-jesus/
Gebruikersavatar
helma
Berichten: 20147
Lid geworden op: 11 sep 2006, 10:36
Locatie: Veenendaal

Re: Long Reads

Bericht door helma »

Pastor Albert N Martin

Reasons Why Some Will Not Come to Christ

Jerusalem was buzzing with activity during one of the high Jewish feast days. And now at the pool of Bethesda the controversial young rabbbi from Galilee had astounded everyone by healing a man paralyzed for thirty-eight years! But instead of rejoicing, the Jewish leaders first confronted the healed man for carrying his bed on the Sabbath – this was work, they said, and God had forbidden all work on the Sabbath – and then condemned Jesus for His ‘work’ of healing on the Sabbath day! Chapter Five of the Gospel of John records Jesus’ simple response: ‘My Father has been working until now, and I have been working.’ This response the Jews understood as nothing less than Jesus ‘making himself equal with God’ (John 5:18).

His plain claims to equality with God stirred up murder in the hearts of those envious Jewish leaders, yet Jesus graciously affirmed His heart’s desire for them when He declared in verse 34, ‘I say these things that you may be saved.’ And since they could not be saved unless they believed on Him as God in the flesh and their promised Messiah, He showed them that His claims to deity were validated by three kinds of evidence, not unfamiliar to any of them: the testimony of John the Baptist, the miraculous works which Jesus had done, and the Scriptures themselves. But in spite of all this evidence, their persistent unbelief called forth from Jesus these words recorded in verse 40: ‘And you will not come to me, that you may have life.’

Surely these are some of the most tragic words ever spoken! In them Jesus plainly asserted that life was to be found in Him, and that it was to be obtained simply by coming to Him. He was not speaking of physical life or physical coming, for his hearers had already come near Him physically, but of spiritual and eternal life received by joining themselves to Him through faith. Yet His hearers refused to do the one thing necessary to have eternal life, for they refused to believe on Him. And Jesus’ sober words show that He holds them – and everyone like them – fully accountable for their stubborn unwillingness to come to Him.

What kept these outwardly religious people from coming to Christ? What keeps you, my unsaved friend, from coming to Christ today? As I outline four major reasons why some will not come to Christ, I hope to show you that every kind of reason is inexcusable. I hope to persuade you to abandon those reasons, and come to Jesus Christ.

1. Ignorance of Your Desperate Need of Christ
Some people will not come to Christ simply because they are ignorant of their need as sinners. The Pharisees of Jesus’ day were classic examples of this self-ignorance. In Luke 18 Jesus boldly spoke a parable directed toward these hypocrites, who ‘trusted in themselves that they were righteous’ (Luke 18:9). When the scribes and Pharisees murmured against Jesus for eating and drinking with tax collectors and sinners, Jesus observed, ‘Those who are well do not need a physician, but those who are sick. I have not come to call the righteous, but sinners, to repentance’ (Luke 5:31-32).

What was true of the Pharisees two thousand years ago is true of many today: they don’t even know they are sick. They are unaware that they have any moral or spiritual disease. They don’t care to go to the great Physician of their souls because they don’t think there is anything wrong.

But such indifference to the real condition of your soul is inexcusable, and it is inexcusable because of the clear testimony of the Bible and of your conscience.

Open almost any book of the Bible and you will read about the sinful, fallen condition of man. From the account of Adam and Eve disobeying God, down through the entire record of man, God’s Word shows we are a guilty and polluted race. But if you count yourself an exception, consider several summarizing statements by the Apostle Paul, speaking on behalf of Jesus Christ and through the infallible guidance of the Holy Spirit: ‘In Adam all die’ (1 Cor. 15:22), or Romans 5:12, ‘Through one man sin entered the world, and death through sin, and thus death spread to all men, because all sinned.’

We are, indeed, sinners because of this heritage. Paul describes us as ‘children of wrath by nature’ (Eph. 2:3). David, the man after God’s own heart, testifies of himself, ‘I was brought forth in iniquity, and in sin did my mother conceive me’ (Psa. 51:5). Each one of us has inherited a sin-nature, and sinning comes naturally to every one of us. We are guilty of breaking the laws of God written on our hearts and in God’s Word. ‘All we like sheep have gone astray; we have turned, every one, to his own way,’ declares the prophet in Isaiah 53:6. Paul asserts with final, sweeping authority, ‘There is none righteous, no, not one’ (Rom. 3:10).

And besides the external witness of the Scriptures, there is the internal testimony of your own conscience. Conscience is active in every person, either accusing bad actions or commending those which are good (Rom. 2:15). You know that conscience takes the pleasure out of sin, and you find ways to argue it down. If conscience could speak audibly it would declare loudly how vile your heart is. It would reveal all the perverse motives and desires active in your spirit. If you would only listen to your conscience you could not be ignorant of your desperate need of Christ. You know that you are under the condemnation of God because of your sin, and liable for the full punishment of that sin. Yet you also know that you are powerless to help yourself. How many there are who ignore the testimony of the Bible and fight the witness of their own consciences! Don’t congratulate yourself that you can listen unmoved to the offer of mercy from Christ, but pray instead for a sight of your desperate need and the extent of your guilt and defilement. Instead of being like the Pharisee in Luke 18, who brazenly stood in God’s presence proclaiming his own goodness, may you bow like the humble tax collector and cry, ‘God be merciful to me, the sinner.’

2. Impenitence before the Searching Demands of Christ
Perhaps you are ready to admit your need and escape the accusations of a condemning conscience, but there is another reason why you will not come to Christ. Perhaps you are one who remains impenitent before His searching demands.

Christ’s call to come to Him is also a command to leave your sins. ‘You shall call His name Jesus,’ said the angel to Joseph, ‘for He will save His people from their sins’ (Matt. 1:21). He will not save them in their sins, but from their sins. ‘I have come to call sinners to repentance,’ Jesus said in Luke 5:32. The terms under which you may be wedded to Christ are terms of complete divorce from your sins. Nor can you separate repentance from faith and forgiveness. Paul affirmed the authentic Gospel message to be ‘repentance toward God and faith in our Lord Jesus Christ’ (Acts 20:21). God exalted Jesus as Prince and Saviour, Peter told the Jews in Acts 5:31, in order to ‘give repentance to Israel and forgiveness of sins.’

Your problem may not be insensitivity – in fact, you may be miserably aware of your desperate need for pardon and peace. But you are not ready to leave your sins and come to Christ on His terms. This was the problem of the rich young ruler in Matthew 19. He sincerely desired eternal life, and he came to Christ looking for it. But Jesus, in His omniscient knowledge of the human heart, focused on one issue: the man’s love of possessions. Jesus must be his only master: ‘Go, sell what you have and give to the poor, and you will have treasure in heaven; and come, follow Me.’ But the rich young ruler was unwilling to yield to the searching demands of Christ, and the narrative says, ‘he went away sorrowful.’

We must not think that the issue is always a call to forsake riches, for Jesus called at least a few rich men like Matthew and Zaccheus and never made that particular demand upon them. But when He dealt with any sinner, like the woman of Samaria in John 4, He found his or her darling sin and boldly staked His claim. Jesus says to each one that eternal life is to be found in supreme attachment to Himself. ‘You cannot serve God and the things of this world’ (Matt. 6:24). ‘Whoever desires to come after Me, let him deny himself, and take up his cross, and follow Me’ (Mark 8:34). Do you see that impenitence before the searching demands of Christ is inexcusable? The perfectly holy Lord of glory calls you away from your sins in order to give you eternal life, and you refuse to leave them. But those sins to which you are clinging, what will they do for you in the end? ‘The wages of sin is death,’ says the apostle in Romans 6:23. Salvation through Jesus Christ is intended to deliver you from the penalty, power, practice, and one day, blessed be God, even the presence of sin. Why do you cling to those sins which will only drag you to hell?

Jesus knows how costly separation may be. He spoke of sins as dear as a right eye or a right hand. He knows that true repentance, confession and forsaking of sin may cause embarrassment, misunderstanding, financial loss, and the pain of breaking off close relationships. When He said to those Jews, ‘You will not come to Me,’ He knew that they loved to receive honour from one another (John 5:44). To follow such a despised teacher was more than their proud hearts could bear. Jesus knew their struggles but never compromised His flesh-withering demands.

Do you see that such impenitence is not only inexcusable, but also irrational? Consider all the evidence against a life given over to sin. Look closely at the scarred and twisted lives of those who resisted God’s gracious call in their youth – people who are the very fulfillment of God’s prophetic words in Isaiah, ‘The wicked are like the troubled sea, when it cannot rest, whose waters cast up mire and dirt. “There is no peace for the wicked,” says my God’ (Isa. 57:20-21). ‘The way of transgressors is hard’ (Prov. 13:15). Look at the terror-filled deathbeds of those who die in their sins. Look at the coming Day of Judgment, when the great ones of the earth will cry for mountains and rocks to fall on them, to hide them from ‘the wrath of the Lamb’ (Rev. 6:16). Look into hell itself, as unrepenting sinners are cast into the furnace of fire: ‘There will be wailing and gnashing of teeth’ (Matt. 13:42). ‘The smoke of their torment ascends forever and ever’ (Rev. 14:11).

Finally, look at the cross. Behold the Lord of glory, the only man who ever lived a sinless life, who, there on the cross, was made to be sin for His people. Look at the price Jesus paid for the sins which you love. Look upon His sufferings at the hands of wicked men. Mark His greater, indescribable agony under His Father’s wrath for human sin. Stand and look until you can say with John Newton:

A bleeding Saviour I have viewed,
And now I hate my sin.

If such meditations are not enough to turn you away from those sins which now seem so dear, it will be right in that last great day for God to say to you, ‘Depart from Me, you cursed’ (Matt. 25:41). ‘Ephraim is joined to idols, let him alone’ (Hosea 4:17). Do not sink down into hell, clinging to your darling sins. Come to Christ on His terms, that you may have life.

3. Unbelief with Respect to the Promises of Christ
You may not be guilty of some daring, idolatrous attachment to sin. Perhaps you already have forsaken many sins, for your own good and for the sake of respectability before others. Yet there is one subtle form of sin which you have never even considered. Maybe you do not think it is very important, and certainly not very disgraceful. Perhaps you are one who does not believe Christ’s promises.

But you say, ‘Unbelief? What kind of sin is that? And why would God hold me responsible for not believing something?’ My friend, consider for a few minutes how unbelief can be one of the greatest obstacles to coming to Christ, and thereby keep you from entering heaven.

Can there be any question that the promises of Jesus Christ are clear, certain, and all-embracing? Read this sampling of His promises. Look them up in the Bible to see for yourself how absolutely free of conditions and qualifications they are.

Matthew 11:28 ‘Come to Me, all you who labour and are heavy laden, and I will give you rest.’

Romans 10:12 ‘The Lord is rich to all who call upon Him.’

Romans 10:13 ‘Whoever calls on the name of the Lord shall be saved.’

John 5:24 ‘He who hears My word and believes in Him who sent Me has everlasting life, and shall not come into judgment, but has passed from death to life.’

John 6:37 ‘The one who comes to Me I will by no means’ – under no conditions whatsoever, under no circumstances – ‘cast out.’

God likens His work of salvation to a wedding feast and says, ‘All things are ready. Come to the wedding’ (Matt. 22:4). God has made all the preparations, and God has done all that needs to be done. We do not need to bring anything; we only need to come.

In the light of such marvellous, unqualified promises of forgiveness and acceptance, do you see how inexcusable is the sin of unbelief? The gospel feast has been spread and God has sent His servants to say, ‘Come, for all things are now ready’ (Luke 14:17). But you linger outside the banquet hall, lost and condemned in your unbelieving refusal to embrace the promised mercy of God. You may not be ignorant of your desperate need or impenitent for your sins, but you are unwilling to believe God’s testimony concerning the sufficiency of His Son as a redeemer for sinful men – the God who spoke audibly from heaven, ‘This is My beloved Son; hear Him’ (Mark 9:7).

There will be many surprising kinds of sinners in heaven. There will be notorious sinners like the immoral woman of Luke 7 whose reputation was known by all. There will be desperate sinners like the thief whose crimes warranted crucifixion. There will be murderers and blasphemers in heaven like Saul of Tarsus, and even some people whose hands put to death the Son of God (Acts 2:23). But there will be one type of sinner who will be conspicuously absent: there will be no unbelievers. There will be no persons in heaven who in this life were not joined by faith to Jesus Christ.

The Book of the Revelation paints many pictures of God’s final judgment of mankind. Many of these images are puzzling and mysterious, but look at one very clear picture of those standing outside the gates of heaven. Revelation 21:8 says, ‘But the cowardly, unbelieving, abominable, murderers, sexually immoral, sorcerers, idolaters, and all liars shall have their part in the lake which burns with fire and brimstone, which is the second death.’ Those whose lives were respectable and even upright, but marked by the chronic sin of unbelief, shall take their eternal place with those whose lives were characterized by murder, lying and other grosser forms of sin.

We are tempted to view unbelief as a defect, or a sort of ‘vitamin deficiency’ that leaves us spiritually anaemic but really not so bad overall. God views unbelief in its true light. When Jesus describes the Holy Spirit’s purpose in coming to convict the world of sin, here is the principal sin which He highlights: ‘Because they do not believe in Me’ (John 16:9).

If until now you have been unbelieving, will you turn from this sin and cling by faith to Christ? Will you believe His abundant promises of salvation, pardon and rest?

4. Unwarranted Expectation of Additional Revelation from Christ
Perhaps we have not yet identified your reason for waiting to come to Christ. You feel your need and you are ready to leave your sins. You are seeking to put your faith in Jesus at the right time, but you want some additional word from Him.

Your exposure to the Bible, whether through personal reading, family training, or church attendance, has taught you an important truth. You know that unless you are one of God’s elect, one of God’s special chosen ones, you cannot come to Christ. God must awaken a sinner to his need, God must draw him to Himself, and God must give him the gift of faith. And so, you reason, ‘Until I know that I am one of God’s elect, it would be presumptuous for me to come to Christ.’

With this conviction firmly in hand, then, you have determined that you cannot act until some additional revelation comes from Christ. You would not demand a vision or a voice in the night, of course, but you are waiting either for some special text which fixes itself on your mind, or some overwhelming sense of God’s convicting presence, or some evidence of the marks of regeneration in your life. And so, you will not come to Christ because you are waiting for a message from God.

Why is it unwarranted to expect such additional revelation? The passage in John 5 gives us a compelling answer to that question. Jesus asserted that, to the Jews, the Old Testament Scriptures should be the final, convincing proof of His claims. He said in verse 39, ‘You search the Scriptures, for in them you think you have eternal life; and these are they which testify of Me.’ In verse 46 he says, ‘If you believed Moses, you would believe Me; for he wrote about Me.’ In other words, Jesus is saying, ‘What the Scriptures say about Me, from the earliest writings of Moses through the closing words of the last prophets, is all the warrant you need to come to Me. You should not wait for something else; these words are sufficient.’

The dialogue with the rich man in hell further reinforces Jesus’ teaching on the sufficiency and finality of the scriptural witness. To the rich man’s plea that someone warn his brothers about the torments of hell, Abraham responds, ‘They have Moses and the prophets; let them hear them’ (Luke 16:29). The rich man, though, has a better scheme: ‘No, father Abraham; but if one goes to them from the dead, they will repent’ (v. 30). We hear the voice of Christ speaking in the final answer of Abraham: ‘If they do not hear Moses and the prophets, neither will they be persuaded though one rise from the dead.’

Are you waiting for some spectacular revelation from God before you will come to Christ? Are you ignoring the message of ‘Moses and the prophets’ which you have in your Bible? Do you see that such waiting is inexcusable? Do not think that your attitude is humble submission before God. Your reluctance is actually a proud and arrogant demand upon God, telling Him how He ought to act. In effect you are saying with the rich man, ‘God, I have a better plan of salvation than your ordinary methods. I have a special way for you to call me, and I’m waiting for this special revelation.’ The truth is, God’s plan of salvation has been presented plainly and simply to you through the witness of the Scriptures. The wedding feast of the gospel has been spread, and God invites you to have eternal life. All you need to do is come.

Is Jesus Christ calling to you? Do you see yourself, not as a special sinner, but as a needy, lost, hell-deserving sinner? Then come to Him in repentance and faith. Look upon Christ as the perfectly suitable ‘friend of sinners.’ See how His perfectly righteous life fully satisfies the requirements of divine law. Consider how His substitutionary death fully satisfies divine justice for your sins. Do not make complicated what God has made beautifully simple; just come. Come to Christ because of God’s gracious directive: ‘This is His commandment: that we should believe on the name of His Son Jesus Christ’ (1 John 3:23). Come to Christ because of God’s gracious promise: ‘Whoever believes in Him will not perish but have everlasting life’ (John 3:16). May you this day put aside any reasons that stop you. Come to Christ, that you may have life!

Just as I am, without one plea
But that thy blood was shed for me,
And that thou bidd’st me come to thee,
O Lamb of God, I come.

Just as I am, and waiting not
To rid my soul of one dark blot,
To thee, whose blood can cleanse each spot,
O Lamb of God, I come.

Just as I am! Thou wilt receive,
Wilt welcome, pardon, cleanse, relieve,
Because thy promise I believe,
O Lamb of God, I come.
KDD
Berichten: 2629
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Rev. A. T. Vergunst schreef:
God Is Our Refuge and Strength

The circumstance in which this psalm was written was most likely the time that Rabshakeh stood with Sennacherib’s armies before the gates of Jerusalem (see 2 Chronicles 32; Isaiah 36-37). None had been able to withstand his war machines. Relentlessly these armies had advanced. Nation after nation had to submit to the iron fist of the Assyrian power. Finally Sennacherib turned in the direction of little Judah. We read that he “came up against all the defenced cities of Judah, and took them” (Isaiah 36:1). Jerusalem was next!

Rabshakeh was right when he challenged the inhabitants of Jerusalem with the words, “Hath any of the gods of the nations delivered his land out of the hand of the king of Assyria? Where are the gods of Hamath and Arphad?” Boastingly he cried, “Who are they among all the gods of these lands, that have delivered their land out of my hand, that the Lord should deliver Jerusalem out of my hand?” (Isaiah 36:18-20).

It may be that such voices also sound in your ears when you look at the circumstances of 1997. The forces of evil are becoming bolder and darker, and seem irresistible. The enemies of the truth of God are undaunted, numerous, subtle, and daring. The spiritual forces unleashed in our society threaten to topple the protecting walls of God’s holy law. Maybe unbelief also roars in your ear, in the spirit of Rabshekah, “Let not Hezekiah deceive you: for he shall not be able to deliver you out of his hand: neither let Hezekiah make you trust in the Lord, saying, The Lord will surely deliver us, and this city shall not be delivered into the hand of the king of Assyria” (2 Kings 18:29-30).

At such a time and in such circumstances, it doesn’t seem the right moment to sing. Yet that was what this people may do in this psalm. What a privilege if we may have the faith of which this text makes mention. Without this faith, dear reader, we are like a boat without a compass, rudder, sail, and anchor. Yet we need to sail into the uncharted waters of 1997. There are dark and deep waters ahead filled with treacherous rocks and subject to violent storms. Maybe the outward circumstances of your personal or family life are very bleak. Maybe the forces of sin and unbelief rage within you. Maybe each “unmovable truth” is assaulted in your heart. My wish for you and myself is that God will grant us the faith of which this text makes mention.

The poet did not deny the reality around him. He could not deny it. All around Jerusalem lay a formidable host. All other refuges had fallen away. He did not rely on the various strategic measures they had taken, like the stopping of die water supply, the strengthening of the high walls and the strong gates, and the increase of weapons (see 2 Chronicles 32:3-6). But he looked higher. He saw God, the Elohim, the Almighty, the One who needs only to speak and it is done, to command and it stands fast, for whom all the inhabitants of the earth are reputed as nothing, and whose hand none can stay. He “is our refuge and our strength.”

The revelation of this God as the place of security in times of insecurity was precious to him. Oh, how safe is that soul which dwells in the secret place of the most High, under the shadowing wings of the Almighty. Hezekiah, as a true prophet, spoke “comfortably to them [Judah], saying, Be strong and courageous, be not afraid nor dismayed for the king of Assyria, nor tor ah the multitude that is with him: for there be more with us than with him: with him is an arm of flesh; but with us is the Lord our God to help us and to fight our battles” (2 Chronicles 32:6-8). Then the Spirit records the act of faith, “And the people rested themselves upon the words of Hezekiah king of Judah” (verse 8b). They sang together, “God is our refuge and our strength. The Lord of hosts is with us; the God of Jacob is our refuge.”

He is “a very present help in trouble.” The Hebrew significance of “a very present” is brought out even more richly in the Dutch translation, namely, “krachtiglijk bevonden. ” It means, He has been “greatly found” a help in trouble. The deeds of the Lord in the past strengthened the poet in his confidence. God had always been an exceeding help in time of trouble. He made mention of “the God of Jacob is our refuge.” It was Jehovah’s hand which restrained Laban and Esau from touching one hair of Jacob. Again, the Lord’s hand had slain the obstinate Pharaoh with all his host in the Red Sea and delivered His peculiar treasure Israel. He mowed down the opposition of Og and Sihon in the wilderness. He over-turned the evil intention of Balaam. He crumbled the walls of Jericho. He slew the host of the Midianites.

Come, dear reader, filled with fear, facing the impossible, cast down under all the host of sin within and without, troubled and dismayed, tossed with tempest and not comforted, seeing the ominous clouds of the powers of hell steadily closing in around us, come, hearken to the poet’s confession, “God is our refuge and strength, a very present help in trouble. Therefore will not we fear.” What a gift is this faith! In the midst of the darkness and under the thunder of the threats of Rabshekah, then to sing, “Therefore will not we fear.” That is not closing one’s eyes for the reality of the times, but that is having the eyes opened to see the evidence of the things not seen, namely, “I am Alpha and Omega, the Almighty, the Sovereign King of the nations.” Oh, may God grant us rich measures of this exercise of faith in our days.

The faith of the poet rose even higher in the subsequent verses. He sang, “I will not fear, though the earth be removed, and though the mountains be carried into the midst of the sea.” Even though all creatures shall fail us, and all firm ground will be removed; even though the most immovable and timeless values are whittled down, no, are taken up and tossed into the sea; even though the tyranny of error will sweep around the world, and the dominion of the wicked will be supreme; even though all the forces of hell will unite against us and our children; even if all that and more might happen, I will fear no evil.

This triumph of faith reaches its final climax in verse 3. Notice that in the English Bible the word “though” is in italics. That means it actually is not in the Hebrew text. The Dutch translates it, “LET the waters thereof roar and be troubled; and LET the mountains shake with the swelling thereof.” In other words, the poet sings, “Let it come — whatever comes, I will fear no evil, because God is my refuge and my strength.”

That is the language of faith of a timid soul like Hezekiah, who rent his clothes, covered himself with sackcloth, and went into the house of the Lord, there to pour out his complaint into the bosom of the Lord of hosts. This language was the quiet trusting of young David when he descended into the valley to strive with the giant Goliath. This was the faith of Luther, when, after his bosom friend Melanchton expressed his fears about the circumstances of their dark times, Luther responded, “Melanchton, cease to rule the world. Let us sing Psalm 46.”

These verses speak about the “anchor” of the godly. Do we have this anchor already? Only with this anchor is it possible to “be still” when everything whirls around us and waves of affliction and trial crash over us. Without this anchor, how much need there is to fear! We are going towards the end of the world. The future, humanly speaking, looks grim for those who hold the testimony of God’s Word dear and sacred. Seek the Lord, young and old. Seek Him to teach you to forsake all other refuges and strengths. Seek Him to teach you to rest only on His Word of promise. Seek Him to give you this anchor of faith, that you also may sing with all your heart this song of triumph, in the face of the Rabshekahs of today and tomorrow, “God is our refuge and our strength.”
Vrouwke
Berichten: 1454
Lid geworden op: 19 apr 2024, 10:25

Re: Long Reads

Bericht door Vrouwke »

Preek van C. H. Spurgeon over Hebreeën 12:1-2

Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.

https://charlesspurgeon.nl/de-regels-van-de-wedloop/
-DIA-
Berichten: 34339
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

In het jaar 1938 schreef ds. I. Kievit een reeks artikelen in het Gereformeerd Weekblad, onder de titel Afval van het Evangelie over Hebreeën 6 : 4-6. Als we dit zo lezen zouden we ons allen wel heel nauw mogen onderzoeken. Niet eerst mijn buurman, maar beginnende bij onszelf. Hoe ver kan een mens komen, niet alleen met algemene overtuigingen van de Waarheid, maar zelfs waar de werking van de Heilige Geest, hemelse gaven, in zekere zin geproefd zijn. Laten wij dan vrezen, dat we niet in een oordeel van verharding zouden komen. Ik denk soms, waar wordt er nog zo ontdekkend gepreekt? Ds. Kievit was een predikant binnen de Nederlandse Hervormde Kerk, en nader de Gereformeerde Bond.

AFVAL VAN HET EVANGELIE
Want het is onmogelijk, degenen die eens verlicht geweest zijn en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw, en afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken.
Hebreeën 6 : 4-6.

De vraag over deze verzen kan niet als onbelangrijk worden terzijde gelegd. Want het is er een van groot gewicht. Wanneer men deze verzen leest zou men kunnen denken: leert dan hier de Schrift, dat we een afval der heiligen moeten aannemen? Onze belijdenis verwerpt die leer toch als ketters op grond van de Schrift. Het is toch niet denkbaar, dat in strijd met de doorgaande leer der Schrift, dat de roeping en verkiezing Gods onberouwelijk zijn, hier het tegendeel zou worden geleerd en de schrijver de eenheid der openbaring niet alleen zou verbreken maar haar zeer bepaald tegenstrijdig zou maken. De organische eenheid der Schrift, ingegeven door de Heilige Geest, wijst een zodanige opvatting reeds bij voorbaat af. Ons doel moet dus zijn een verklaring te geven, die met de doorgaande leer der Schrift in overeenstemming is en toch aan de tekst recht laat wedervaren. Onze verklaring moet zijn naar de analogie van het geloof.
Moeilijk voor de verklaring zijn deze verzen ongetwijfeld. Wie de geschiedenis der exegese kan nagaan zal daarover niet in twijfel zijn. We willen nu eerst een beknopte verklaring geven van deze verzen en daarna nog in het bijzonder stil staan bij de leerstellige vragen die hier aan de orde zijn en trachten een Schriftuurlijke oplossing te geven.
Al aanstonds stelt het verband met de voorafgaande verzen ons voor een moeilijkheid. Immers vers 4 begint met 'want'. Een redengevend woord. Welke is dan de samenhang met hetgeen voorafging? De apostel had gehandeld over diepe stukken der waarheid; Melchizedek en diens priester-koningschap. Hij wijst erop, dat de Hebreeën niet mochten blijven staan bij de grondbeginselen der leer maar tot de volmaaktheid moesten voortvaren, anders zouden zij verachteren in de genade. Tot die grondbeginselen behoorden: de eerste prediking over Christus, bekering van dode werken, geloof op God, de leer der dopen, der handoplegging, de doden-opstanding en het eeuwig oordeel.
Nu wil hij daar ook wel weer bij stilstaan, als God het toestaat, wel te verstaan. Wat bedoelt hij daarmee te zeggen? Hij wil zeggen: het zou kunnen, dat het niet meer baten zal voor sommigen, want er is grote verachtering. Het zou kunnen, dat God niet meer toestond daarover te handelen tot hun zaligheid en bekering... En dan komt vers 4: Want het is onmogelijk enz. Er is een bepaalde tijd der genade. Het kan zijn, dat die voorbijging. Reeds eerder werd erop gewezen, dat er een tijd komt waarop de vermaning om zich niet te verharden niet meer zal worden gehoord (3 : 13). Nu horen wij nader wat de apostel op het oog heeft. Er zijn toch mensen die ver gekomen zijn en toch afvallen, en dan niet meer bekeerd kunnen worden. Dus dan zou het geen nut hebben hun nog te prediken de beginselen der leer van geloof en Christus, want zij waren verhard en vernieuwing was niet meer mogelijk.
De apostel zegt niet, dat het reeds zover is gekomen met de Hebreeën, maar moet hen toch waarschuwen, althans sommigen onder hen en allen vermanen tot naarstigheid. We herinneren aan het woord: wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden. Zo ligt de weg open om deze verzen te verklaren, naar de woorden. Want het is onmogelijk, bepaalde mensen, die hij nader omschrijft, wederom te vernieuwen tot bekering.
Onmogelijk staat voorop. Het is ten enenmale onmogelijk. Men mag dus dit woord niet verzwakken tot: moeilijk, zoals wel is geschied. Wat is er onmogelijk? Hen wederom te vernieuwen tot bekering. Daarover straks.

Welke mensen heeft de apostel op het oog?
Mensen die eens verlicht zijn geweest. Dit verlichten kan moeilijk op de Doop worden betrokken, want daarvoor biedt het Nieuwe Testament geen gegevens. Wel is dit reeds vroeg geschied. Justinus vond dit spraakgebruik, dat de Doop met het woord verlichting werd aangeduid. We zullen dan ook moeten denken aan verlichting van het verstand, zodat inzicht in het werk des heils wordt verkregen. En dat met toegekeerdheid van het gemoed. Meer wordt bedoeld dan koude bespiegeling der waarheid. Een zeker belang voor eigen persoon in de verkondigde waarheid is in het woord onmiskenbaar vervat. Een paar plaatsen waar ook dit woord wordt gebruikt willen wij citeren. Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens komende in de wereld. (Johannes 1:9) - en allen te verlichten, dat zij mogen verstaan welke de gemeenschap zij der verborgenheid, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft in Christus Jezus. Bij deze verlichting moeten wij dus denken aan kennis van de heilsraad van God in Christus. "Zo spreekt de Schrift van verlichte ogen des verstands (Efeze 1 : 18). Mensen verder die de hemelse gaven gesmaakt hebben. Smaken d.i. in innige gemeenschap komen met, gelijk met voedsel, zodat men er de smaak van geniet. Iets proeven van.
In smaken wordt dus weer een andere zijde van de religieuze ervaring naar voren gebracht dan in verlicht zijn.
De hemelse gave zal zeker beduiden het heil in Christus, dat van boven komt. Verder zijn het mensen die des Heiligen Geestes zijn deelachtig geworden. Dus, zij delen in een bediening van de Geest die is uitgestort in het midden van de Kerk. Zij treden in verband met het werk van Gods Geest. Zonder de Geest Gods is het onmogelijk het bovennatuurlijke, het goddelijke, te kennen, te genieten, of te aanvaarden. Bovendien wijst de uitdrukking erop dat de Persoon van de Geest is bedoeld en, niet slechts zekere werkingen van dien Geest. Rondom hen was het bijna overal duisternis; zij behoorden onder de weinige bevoorrechten, die wisten van het in Christus gewrochte heil. Ook de aandoeningen van de ziel waren erdoor in beweging gebracht.
Nog meer wordt van die mensen gezegd die toch afvallen: en gesmaakt hebben het goede woord Gods. Woord, gelijk het gesproken wordt, zonder dat daarbij allereerst gedacht wordt aan de inhoud. Het goede woord Gods is Zijn openbaring, hetgeen door Godsspraken tot de mens komt. Het is een goed, een heerlijk woord, in verband met Zijn spreken door de Zoon. In deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken door Zijn Zoon (1 : 1). Goede woorden, troostrijke woorden (Zacharia 1 : 13). Ten slotte wordt van deze mensen gezegd in nauwe aansluiting met de voorafgaande kwalificatie, dat zij gesmaakt hebben de krachten der toekomende eeuw.
Het zijn bovennatuurlijke krachten die tot een hogere orde behoren en in deze bedeling slechts in voorproef worden gesmaakt. Gedacht kan worden aan alles wat God doet om de kracht van het Evangelie te tonen. In hoofdstuk 2 : 4 lezen wij: God bovendien mede getuigende door tekenen en wonderen en menigerlei krachten, en bedelingen des Heiligen Geestes naar Zijn wil. Nu komt de geweldige waarheid, dat zulke mensen ondanks dat alles wat zij kennen en ervoeren van het Evangelie afvallen. En toch, ondanks dat alles, worden zij afvallig.
,,Afvallig worden" staat er. De mensen hebben zoveel, maar zij vallen ernaast en komen er daardoor buiten. Buiten de zaligheid, de gemeenschap met Christus en Zijn heil.
Zakelijk ziet dit werkwoord op hetzelfde als hoofdstuk 3 : 12: Ziet toe broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos ongelovig hart, om af te wijken van de levende God. Bedoeld is een afval, een zich afkeren van alles wat men geloofde en ervoer. Een terugvallen in verstokt ongeloof, een spotten met het heilige, wat men eerst als zodanig erkende en op enigerlei wijze kende en genoot.
Wat zeggen zij dan van hun vroeger geloof en ervaring? Zij verwerpen het als fantasie, althans keren zich ervan af als erger dan waardeloos. Hier is het duivelse en niet meer het menselijke. Welnu, dezulken zegt de apostel: kunnen niet wederom vernieuwd worden tot bekering. Weer opnieuw te vernieuwen: men hoort het onmogelijke hiervan. Dat kan niet. In vers 1 werd ook het woord bekering gebruikt, het woord, dat zinsverandering aanduidt. Het er anders over gaan denken; de eerste intellectueel getinte verandering, die zeer zeker een werk van de Geest is, maar alleen in de krachtdadig geroepenen vruchten ten eeuwigen leven voortbrengt. Het is ook mogelijk, dat iemand met die verlichting voortleeft en die ervaringen houdt en zo sterft in... zelfbedrog. Doch daarover gaat het hier niet. De apostel beschrijft dezulken die openlijk afvallen van hun geloof, dat zij beleden, den spot drijven met hetgeen zij ervoeren, zelfs van de krachten der toekomende eeuw. Wij staan hier ongetwijfeld voor mysterieuze diepten van het zielenleven en voor afgronden in de regering Gods. Maar die vragen houden ons de volgende maal bezig.
Thans geven wij alleen de woord- en zinsverklaring van hetgeen er staat. Wanneer eenmaal deze afval een feit is geworden is zelfs zulk een verstandelijke bekering, zinsverandering, niet meer mogelijk.
Wat doen die mensen die ernaast gevallen zijn, die afvallig werden in de boven aangegeven zin? Zij kunnen niet meer terug. Hoe blijkt nu deze afvalligheid van hun harten? als welke zichzelve den Zoon Gods wederom en openlijk te schande maken.
Zij kunnen natuurlijk niet meer in letterlijke zin de Heere Jezus aan het kruis slaan. Nee, maar met betrekking tot zichzelf doen zij het. Wat hen betreft haken zij Jezus wederom aan het kruis. Jezus, de Zoon Gods. Zo komt het afschuwelijke van hun misdrijf te sterker uit. Zij bedrijven de zonde der Joden weer, maar dan met dit verschil, dat van hen niet gezegd kan worden: „gij hebt het onwetende gedaan".
Zij hebben Jezus leren kennen als de Zoon van God. In Hoofdstuk 10 : 26 lezen wij een soortgelijke opmerking: Want, zo wij willens zondigen nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden, maar een schrikkelijke verwachting des oordeels en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden. Het „wij" wijst er op, dat de apostel hen als opgenomen in de gemeente, als onder de bediening van het genadeverbond besloten behandelt.
Zij stellen Hem ten toon, maken Hem te schande, gelijk de gekruiste ontbloot hing tot een schimp en aanfluiting. Daarmee wordt de daad van de opzettelijke afval getekend. Zij kunnen niet meer terug en zij willen niet meer terug. Daarom kan er ook van een wederom-vernieuwen-tot-bekering geen sprake meer zijn.

***
In ons eerste artikel hebben wij in grote lijnen het verband en de betekenis der woorden en uitdrukkingen verklaard van de hierboven afgeschreven verzen uit Hebreeën 6. Thans willen wij nader ingaan op de beschrijving van de personen wiens volslagen afval van het Evangelie hier als mogelijk wordt ondersteld. En dat niet alleen, maar ook hun herstel is onmogelijk geworden.
Gehandeld wordt over de voorrechten van het Evangelie die hun deel waren geworden. Ondanks dat alles en in tegenstelling met hun verplichting van het tegendeel vallen zij geheel af, en worden bittere vijanden en spotters. Inderdaad zijn het rijke voorrechten die zij ontvangen boven vele anderen. Het zijn toch werkingen van de Heilige Geest waardoor zij zijn verlicht, de hemelse gave hebben gesmaakt, des Heiligen Geestes zijn deelachtig geworden, het goede woord Gods hebben gesmaakt en de krachten der toekomende eeuw.
Deze weldaden kunnen alléén voorkomen onder de bediening van het Evangelie, waar het verbond der genade werkzaam is.
Het mag ons echter niet ontgaan, dat van de hart-veranderende genade des Geestes in deze verzen geen gewag wordt gemaakt. Niets lezen wij van rechtvaardigmaking, heiligmaking, aanneming tot kinderen. Wanneer de apostel in de volgende verzen toekomt aan de gelovige Hebreeën, die geroepen zijn ten leven wordt dit anders. Maar geliefden wij verzekeren ons aangaande u betere dingen en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken, (vs. 9). In vers 10 spreekt hij van de arbeid der liefde aan de naam van Christus. Daarvan is in onze verzen geen sprake. Zij zijn echter wel verlicht geweest. Verlichten, dat is kennis ontvangen door onderwijs. De Schrift spreekt van de bestraling der verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.
De inhoud der kennis door deze verlichting geboren is die van het Evangelie. De Schrift spreekt van de erfenis der heiligen in het licht als tegenstelling met de duisternis der wereld waarin zij ligt verzonken door hare onwetendheid. Daar heerst dwaling, leugen, onwetendheid. (1 Joh. 5 : 19, 1 : 16). Het licht nu des Evangelie, der goddelijke waarheid, ons geopenbaard in het Woord verdrijft deze duisternis der onwetendheid en dwaling en leugen. De waarheden omtrent het wezen en de deugden Gods, de verlossing door Christus en het werk van de Geest, schepping en herschepping, Gods geboden en rechten, worden daarin geopenbaard. Welnu, deze waarheden zijn bekend geworden aan de personen in onze verzen beschreven. Niet slechts door de prediking en verkeer in Gods gemeente, maar zeer bepaald door de werking des Heiligen Geestes.
De Schrift wil, dat wij op deze weldaden acht zullen nemen, ze niet ontkennen noch gering schatten. Het is een groot voorrecht te verkeren onder de bediening van het verbond der genade, dat is neergelegd in de schoot der Kerk en wordt bediend door de Heilige Geest. In sommige personen bereikt deze verlichting een hoge graad. Maar verlies is mogelijk en zonder meer is daarmee niet gegeven het zaligmakend geloof… De conditie van deze personen is bij uitstek gevaarlijk want juist zij lopen gevaar aan het oordeel der verharding te worden prijs gegeven indien zij tegen licht en geweten in zich vervreemden van de inhoud der waarheid.
De ervaring leert dat ook in onze dagen op ontstellende wijze. Daarom moet hierop worden gewezen ook in de prediking en de vermaning met verdubbelde kracht worden aangedrongen. Wie in de bediening van het Woord en in gesprek zijn uitgangspunt neemt in de verkorenen en aan de eisen van het verbonds geen recht laat wedervaren is mede oorzaak van de verharding der bondelingen en niet vrij van hun bloed. Dit geschiedt in sommige kringen, niet alléén onder ons, maar al te veel. Ik schrijf dit omdat de werkelijkheid hiervan droeve voorbeelden biedt. Zelfs is het zo erg dat, wie niet het volle vertrouwen heeft, onder verdenking zou worden gebracht van onrechtzinnigheid wanneer hij de eisen des Heeren in volle kracht handhaaft en het oordeel, dat de onbekeerlijke zal treffen óf verzwijgt óf omzwachtelt met kostelijke waarheden die daarvoor niet dienen en door de Heere daartoe niet zijn geopenbaard. Het behoeft wel geen betoog, dat ook hierin met voorzichtigheid moet worden gehandeld en nu juist weer niet eenzijdig op deze dingen nadruk moet worden gelegd. Er is in dit verband nog iets waar we op moeten wijzen.
Het valt ons meermalen op hoe de leer der verkiezing niet op de rechte wijze wordt gebracht en meer als leer wordt ingeprent dan als levende waarheid wordt verkondigd. Vaak worden de oude schrijvers boven mate geprezen maar helaas niet nagevolgd in het roepen tot bekering, het voorstellen van de rijke voorrechten in het verbond geschonken en de aanbieding der genade daarin door de Heere ernstig gemeend. We worden soms wel gedwongen te denken aan het bouwen van de graven van de profeten, die de vaderen hadden gedood en gestenigd die tot hen waren gezonden. Of was het niet juist ook daarom, dat de Godsgezanten waren gehaat, omdat zij den eis van de bekering van uit het verbond aandrongen en dreigden met de verbondswraak? Als Jezus daarop wijst voegt Hij toe: Hoe dikwijls heb Ik u willen bijeen-vergaderen gelijk een hen haar kiekens, doch gijlieden hebt niet gewild.
Laten wij toch deze dingen in acht nemen en er volle ernst mee maken, want de Heere zal het zien en zoeken; en het kan niet uitblijven of Hij zal ook over Zijn volk en dienstknechten duisternis en verachtering in de genade door Zijn oordeel brengen wanneer zij niet de volle schat des Woords uitdragen en daarnaar leven. Wanneer wij deze dingen zeggen doen wij het om des Heeren wil en om Sions wil. Dit heeft dus niets te maken met werkheiligheid maar met geloofsgehoorzaamheid. Wij komen dus allerminst in het gevlei bij degenen die uit een remonstrants beginsel werkzaam zijn in de prediking en zielszorg. Daartegen worde ook gewaarschuwd en de eis der waarheid gesteld.
Wanneer wij nu aandacht schenken aan die verlichting door de Heilige Geest dan moeten wij in acht nemen, dat hier iets meer is dan verstandelijke studie van de waarheid. Men kan zeer wel doctor worden in de theologie en toch van deze verlichting geen deelgenoot zijn. Deze verlichting nadert veel dichter de ware aard van de waarheid van het Woord en oefent invloed op het geweten en de levensgang. Deze verlichting geeft aan het verstand zekere voldoening, zekere streling van de waarheid, ook al zet zij het bewustzijn niet om, zodat ontbreekt de levende kennis van de Waarachtige en niet minder het zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus.
Iets van de waarheid, schoonheid en heerlijkheid van de geestelijke dingen dringt door tot het bewustzijn en oefent enige invloed op het hele denken en zijn. Maar de ziel wordt niet omgezet tot gelijkvormigheid der waarheid in het innerlijke zijn, zoals bij Gods gekenden. Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk gij overgegeven zijt, en vrijgemaakt zijnde van de zonde zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.
Verder zegt de apostel, dat zij de hemelse gave hebben gesmaakt.
Dit zijn, wij wezen er reeds op, samengevat de weldaden van het Evangelie waarvan Christus het middelpunt is. Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Zo zegt de Heere Christus tot de Samaritaanse: Indien gij de gave Gods kendet en wie het is die tot u spreekt, zo zoudt gij van Hem levend water hebben begeerd.
Zij hebben de hemelse gave gesmaakt.
Hier is een overdrachtelijke spreekwijze. Smaken doen wij iets wanneer wij het in onze mond nemen en onze smaakorganen worden aangedaan en opnemen de smaak van de spijze. Het sluit echter niet in het eten, zodat de spijze wordt tot een levenskracht in onze inwendige spijsverteringsorganen. Op deze wijze, blijvend in het beeld, kan de betekenis van dit smaken het best worden toegelicht. Zo hadden zij dus een zekere smaak van het Evangelie. Dit was een bijzonder voorrecht, dat bij miskenning of verachting het oordeel zou verzwaren. Wij zijn dus ten volle verantwoordelijk voor hetgeen wij doen met het Evangelie waarvan de Geest ons zekere smaak gaf, dat indrong in onze consciëntie.
Dit kan een zondaar, die ontdekt wordt door den Geest aangrijpen en benauwen, want deze wordt zich bewust, dat hij het licht dat werd ontstoken in zijn ziel zoekt te verdonkeren zodat hij vreest dat hij rechtvaardig aan het oordeel der verharding zal worden prijs gegeven. Daarover handelen echter deze verzen niet. Overigens kan het geen kwaad, dat wij maar flink in de war raken opdat wij uit de doolhof van eigen bestaan en ons bederf mogen komen in het toegepaste Evangelie. Het moge voor deze en gene dienstbaar zijn om hun roeping en verkiezing vast te maken, om eigen leven te verliezen en te rusten in de gerechtigheid van de Heere Christus. De belofte des verbonds toch voor Gods kinderen blijft vast: Ik zal maken, dat hun werk in der waarheid zal zijn. Vetrouwende dit, dat Hij die een goed werk in u begonnen heeft, datzelve zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
Zij zijn ook des Heiligen Geestes deelachtig geworden, zegt de apostel.
De Heilige Geest is hier de Pinkster-Geest die is uitgestort in de Kerk en in haar woont. Wie in het midden der Kerk leeft onder de bediening des Verbonds komt hiermee in aanraking. En nu waren zij in betrekking gesteld tot dien Geest die de schatten des heils opent. Zij waren overtuigt van de uitnemendheid van het Evangelie, boven vele anderen die leven buiten de bijzondere openbaring. Boven velen ook die wel onder de bediening des verbonds leven maar minder zijn aangeraakt en bewerkt door de Geest.
De Heilige Geest is de grote gave van het Nieuwe verbond om te openbaren de verborgenheden van het Evangelie en bekend te maken de geestelijke dienst des Heeren in onderscheiding met die van de schaduwen. Er is een goedheid en uitnemendheid in deze hemelse gift die kan worden gesmaakt en ervaren, terwijl toch de levendmakende kracht en zaligmakende bediening ontbreekt.
Zij kunnen smaken de waarheid van het woord maar niet zijn kracht. Den dienst van de Kerk in haar uitwendige orde, maar niet in haar inwendige schoonheid. De gaven der Kerk in haar uitwendige orde, maar niet in haar inwendige kracht. De gaven der Kerk maar niet haar genaden.
Verwerping van het Evangelie van zijn waarheid en dienst na dit smaken is een grote verzwaring der zonde en een zekere voorloper van ondergang en verderf.
Zo hebben zij ook gesmaakt het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw. Het Woord Gods is goed omdat het de hemelse waarheid opent en de schat des heils bekend maakt. Zij horen gaarne het Woord verkondigen in zijn zuivere gestalte; zij gaan er tot zekere hoogte in op, het streelt hun gemoed. Maar aan de onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, waarvan Petrus spreekt, komen zij niet toe. Dit alles moet nopen tot een ernstig onderzoek des harten of wij meer en andere dingen bezitten dan hier van mensen wordt gezegd die toch afvallen. Want, ook al zou dit niet gebeuren dan zou toch die mens zo levende en stervende wanneer hij meende daarmee te zullen ingaan ondervinden te behoren bij degenen van wie Jezus waarschuwde: Velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.
Van deze mensen wordt nu gezegd dat zij afvallen, vallen buiten het Evangelie, dat zij beleden hebben en waarvan zij de kracht hebben gesmaakt. Zij worden afvallig. Er staat niet; zij vallen in de zonde; óók niet: zij volharden langen tijd in de zonde, waarin zij vielen, maar zij vallen af van het geloof en keren er zich tegen.
Het gaat hier dus niet over mensen die vallen in zonde en straks met diepe smart hun ongerechtigheid bekennen en laten. Nee, voor dezulken wordt nergens in het Woord de deur der genade dicht getrokken.
Vallen in de zonde kan geschieden uit onze verdorven natuur door de ophitsing en verleiding van satan. Vervallen van het Evangelie is iets anders en onherstelbaar.
Hier gaat het over volkomen verharding in de zonde zonder berouw. Integendeel, men vermaakt zich in de verachting van hetgeen men beleed en smaakte.
***
Wanneer wij nu verder nagaan wat deze verzen leren van die afvalligen wordt van hen gezegd, dat zij niet wederom kunnen vernieuwd worden tot bekering, omdat zij den Zone Gods wederom, wat hun aangaat, kruisigen en te schande maken. Het is onmogelijk, niet slechts moeilijk om hen wederom te vernieuwen tot bekeering. Waarom is het onmogelijk en welk karakter draagt deze onmogelijkheid? Voor wie is het verder onmogelijk? Om met dit laatste te beginnen. Zou het onmogelijk zijn voor God? Van Hem leert de Schrift, zou voor den Heere iets onmogelijk zijn? Maar. dan gaat het niet over het wezen Gods doch over zijn macht.
Naar Zijn wezen is het onmogelijk, dat God zou liegen; Zijn Woord niet houdenenz. Onmogelijk zou het zijn voor God - zoals uit Zijn openbaring blijkt - de zonde te vergeven zonder voldoening te eisen. Maar dingen kunnen mogelijk zijn naar het wezen Gods doch uitgesloten worden krachtens Zijn besluit. Zo was het onmogelijk, dat Ezau zou zalig worden krachtens het besluit Gods; het was onmogelijk, dat het huis van Saul koning zou zijn over Israël, niet om gronden in het wezen Gods, maar naar de orde van Zijn welbehagen. Daarmee is echter allerminst gezegd, dat niet de zonde van Saul de oorzaak der verwerping was. Want het lag wel degelijk zó in Gods raad, dat hij om zijn zonde werd verworpen. De Heere doet ook daarin geen onrecht, want verre is de Almachtige van onrecht.
Nu gaat het hier over een onmogelijkheid krachtens de raad en het oordeel Gods, dat wordt uitgewerkt door de mens in moedwillige ongehoorzaamheid. Immers zij verharden zich altijd door, verachten het berouw en smaden de Christus die zij eerst beleden; wiens Evangelie zij als goed smaakten. Wanneer wij zeggen, dat de duivelen onredbaar zijn gevallen, bedoelen wij daarmee, dat God hen finaal losliet ten verderve en zo haten zij God eeuwig. Hier valt verder niets te begrijpen maar te aanbidden en te zwijgen. Maar de duivelen hebben zich niet te beklagen, want zij willen niet anders dan God haten. God wordt gerechtvaardigd in Zijn oordeel. Dit moeten wij ook hier wel bedenken. Het staat niet aan ons te hopen of te wensen, dat deze mensen zouden worden vernieuwd tot bekering; het is onmogelijk dat wij er het middel toe zouden kunnen zijn door het Woord. Zij stellen zich geheel buiten ons bereik en... God is daarin met zijn rechtvaardig oordeel.
Zij kunnen dus niet meer worden gebracht tot hun vorigen stand des levens, wederom vernieuwen tot bekering.
Hier wordt dus niet gehandeld over de waarachtige bekering maar over hun bekeerd zijn door verlichting en smaak van het Evangelie, zonder wederbaring.
Het is ons dus duidelijk, dat hier niets wordt gezegd over mensen die in de zonden vallen en met berouw en zondesmart vergeving zoeken. Want voor hen staat de deur der genade open altijd. "Zo moeten wij prediken en leren, omdat de Schrift aldus onderwijst. De Novatianen uit de dagen van Augustinus wilden hier lezen, dat een afvallige die in de vervolgingen zijn belijdenis prijs gaf nooit meer in de Kerk mocht worden opgenomen. Geheel ten onrechte. Neen, het gaat hier over mensen die niet en nooit tot berouw willen noch kunnen komen. Daarom ligt hier geen hindernis voor den verbroken zondaar, maar een waarschuwing voor de mens die in zijn onbekeerlijkheid voortleeft. Zo ziet dan het onmogelijke op de gestrengheid Gods niet jegens berouwvolle zondaren maar op zodanigen als wij hier beschreven vinden die in voortgaande verharding en afkeer van hetgeen zij eenmaal beleden hun weg vervolgen. Het is echter wel mogelijk, dat zij tot wanhoop komen en gelijk Judas sterven. Welke les voor de prediking en de zielszorg moeten wij nu hieruit trekken?
Het is noodzakelijk voor te stellen en aan te dringen de gestrengheid Gods over afvalligen, en bij gevolgtrekking te waarschuwen tegen verkoeling jegens de beleden waarheid; dat het oordeel der verharding dreigt, want de Heere is een wreker. De waarschuwing moet uitgaan ook jegens dezulken die vroeger nog wel eens verbroken werden onder het Woord, bij een sterfgeval enz., maar nu alles onverschillig aanhoren. Gevaarlijk is hun pad, ook al zijn ze nog geen afvalligen in de zin van de mensen hier beschreven. Maar zij zouden het wel kunnen worden. Het zwaarste oordeel Gods van deze zijde van het graf is de rechtvaardige verharding der harten. Zo lezen wij in Johannes 12: Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft: Hij heeft hunne ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden en Ik hen geneze. Dit zeide Jesaja toen Hij Zijn heerlijkheid zag en van Hem (namelijk Christus) sprak.
Hij geeft hen over aan satan en diens macht. Deze gestrengheid Gods moet worden gepredikt; de alzijdigheid des Woords uitgedragen. Dit vereist naarstigheid en biddend onderzoek. Wanneer wij aan het verbond en zijn bediening in het midden der Kerk geen recht laten wedervaren is er eigenlijk voor al deze verschillen geen plaats en wordt de gemeente niet bearbeid zoals de Schrift het eist. Men kent dan verkorenen en onbekeerden. Zó leert echter de Schrift niet de gemeente te zien. Want ook de gelovigen worden ernstig gewaarschuwd voor afval. Daaruit zou zeker blijken, dat zij nooit ware gelovigen zijn geweest. Maar de volharding der heiligen is volstrekt niet in tegenspraak met de hier beschreven afval van het Evangelie en evenmin met de waarschuwing voor afval gericht tot de gelovigen. De brief aan de Hebreeën is ook hierin zeer leerzaam. De bedreigingen van het Evangelie zijn geen bijkomstig deel van de goddelijke waarheid. Daar is het lokken tot bekering, het aanprijzen van Christus, het dringen tot bekering, het waarschuwen voor verharding, de bedreiging van de gestrengheid Gods, en nog zoveel meer in het Woord, dat onze volle aandacht moet hebben. Het opwekken tot waakzaamheid, tot volharden, tot wandelen in de wegen des Heeren. Dan is er de bediening van het Evangelie in al zijn volheid, onder alle omstandigheden van het leven.
Het Evangelie is gewapend - zo merkt de godzalige en zeer geleerde Owen op - zowel met bedreigingen als bevestigd met beloften. Zullen wij dan verzwijgen, dat God de afvalligen overgeeft aan het oordeel der verharding en dat ieder wel mag toezien en biddend waken in dat oordeel niet te vervallen? Neen, dat mogen wij niet verzwijgen doch op de gepaste wijze met diepen ernst verkondigen.
Te zeggen: onbekeerd is onbekeerd, is geen behandelen van zielen die voor een eeuwigheid zijn geschapen. Vergeten wij toch niet, dat de dwaze filosofie een zeer orthodoxe klank kan hebben. Het leven der genade, dat leeft uit het Woord, kan zó niet handelen ook al is het waar, dat verkeerde theorieën het leven kunnen verstarren en ongodvruchtig doen spreken en handelen. Ons is nodig het Woord der waarheid recht te snijden.
Maar nogmaals merken wij op, dat, hoe zwaar de zondaar viel - valt er niet menigeen ook van Gods kinderen omdat wij niet getrouw waarschuwden en eenzijdig waren of om hun vriendschap te behouden hen ontzagen? - bij berouw en verootmoediging het Evangeliewoord luidt: Keer nochtans weder gij afkerige kinderen. Hij zal zwijgen in Zijn liefde. Het bloed van Jezus Christus Gods Zoon reinigt ons van alle zonde. Daarom, weest niet hoog gevoelende maar vreest, opdat gij niet in hetzelfde oordeel valt.
Zo komt dan oordeel over hen om hun afval en afval om het oordeel, dat zij zelf uitwerken. Zoals de apostel zegt: als welke zichzelven den Zone Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken. Onder de wet was er geen offer voor de zondaar die zondigde met opgeheven hand, in boze moedwil, voor hen stond ook de vrijstad niet open, indien het doodslag gold. Als iemand de wet van Mozes heeft teniet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen: hoeveel te zwaarder straf meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft waardoor hij geheiligd was, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan? Want wij kennen Hem die gezegd heeft: Mijne is de wraak, Ik zal het vergelden. Laat ik enkele opmerkingen van Calvijn hier invoegen, dan kan men zien hoe onze reformator handelde met de zielen om de dreiging van het Woord aan te dringen. „Nu is het alzo, dat Christus zichzelven de zondaren dagelijks aanbiedt, die in de een of andere zonde gevallen zijn, alzó, dat zij geen andere offerande behoeven te zoeken om hunne zonden uit te doen. Zo zegt hij dan, dat er geen offerande meer is, voor hen die afwijken van de dood van Jezus Christus, hetwelk niet geschiedt door een bijzondere zonde, maar als men het geloof ganselijk verwerpt. Hoewel nu deze gestrengheid Gods verschrikkelijk is, en dat ze ons wordt voorgesteld opdat zij ons vreze zou aanjagen, nochtans kan men God niet van wreedheid beschuldigen. Want nu het alzo is, dat de dood van Christus ons enig hulpmiddel is waardoor wij verlost zijn van de eeuwige dood, die nu de kracht en weldaad daarvan vernietigen, zoveel in hen is, zijn die niet waardig, dat bij hen niets blijve dan mistroostigheid? Is het nu alzo, dat wij buiten Hem geen zaligheid mogen zoeken, laat ons dan niet verwonderd zijn, dat die Hem verlaten, moedwillig van Hem wijken, beroofd worden van alle vergeving der zonden... Want die al willens en met moedwillige boosheid het licht Gods, dat God in zijn hart ontstoken had uitblust, wat zal deze voor God toch kunnen voorstellen om zichzelven te verontschuldigen? Daarom zo laat ons hier leren, de waarheid die ons aangeboden wordt, niet alleen aan te nemen met eerbied, en bekwame leerzaamheid des geestes, maar om gedurig te volharden in hare kennis, opdat deze straf der verachting op ons niet kome...!
En deze andere opmerking: „Wel is het waar, dat God niemand krachtig roept dan de verkorenen, en de heilige Paulus getuigt, dat het waarlijk zijn kinderen zijn, die door Zijn Geest gedreven worden. Maar dit verhindert niet, dat Hij ook de verworpenen besprengt en besproeit met de smaak van zijn genade, en hun geesten verlicht met enige vonkskens van Zijn licht. Hij laat hen ook Zijn goedheid smaken en drukt ook enigszins Zijn Woord in hunne harten. Waar zou anders dat tijdgeloof zijn, waarvan de heilige Markus leert?... De bevinding en aanmerking van zodanige dingen is een toom, waardoor ons de Heere in vreze en ootmoedigheid houdt. En voorwaar wij zien nog zonder dat, hoezeer de menselijke natuur genegen is tot onachtzaamheid en dwaas betrouwen hoewel nochtans onze zorgvuldigheid behoort te zijn, dat zij de vrede der consciëntie niet verstore. Want de Heere richt eenmaal in ons het geloof op, en temt ook het vlees, en daarom wil Hij, dat het geloof blijve als in een zekere haven, en zoetelijk ruste: maar Hij oefent het vlees door verscheidene aanvechtingen opdat het door ledigheid niet te dartel worde.
In één woord, zo schrijft hij bij vers 6, de apostel vermaant ons hierdoor, dat het berouw niet is in de wil van de mens, maar, dat het God alleen degenen geeft, die nog niet gans en al van het geloof afgevallen zijn. Welke vermaning ons bovenmate zeer nut is, opdat wij niet door uitstel van dag tot dag en meer van God vervreemden...
Blijkt ook uit deze uitspraken niet zonneklaar - we zouden een bijkans ontelbare reeks van dergelijke vermaningen uit de werken van Calvijn kunnen samen lezen - dat Calvijn de gemeente behandelde naar de eis des verbonds?
Wie deze lijn des Woords verlaat zal niet gezegend zijn en brengt ook een oordeel over de gemeente Gods, zich openbarend in onvruchtbaarheid en koudheid. Nu hebben wij hier een bijzonder geval van mensen die openlijk tot afval komen en toch moet toepassing gemaakt worden voor de gemeente. Niemand mag zeggen: daar heb ik niets mee te maken, dat is voor die óf die! Neen, zelfs het bevestigde kind des Heeren moet het ter harte nemen om wakende te zijn en biddende. Niet, dat hij afvallen kan maar wel verachteren in de genade gelijk bij zeer velen het geval is. Het moet leiden tot dagelijkse verootmoediging en toevlucht tot het bloed des kruises, om dicht bij de Heere te leven, want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Hier gaat het over afvalligen, die het geloof dat zij beleden verachten.
Van Julianus de afvallige lezen wij, dat hij zei: Ik heb uw Evangelie gelezen, gekend en verworpen. Dat was de weg van alle afvalligen de eeuwen door. Wij wezen er reeds op, dat hier niet kan gelden: zij hebben het in hunne onwetendheid gedaan, want het was willens en wetens, nadat zij het goede woord Gods hadden gesmaakt. De lieden die Petrus waarschuwt en roept tot bekering hadden zwaar gezondigd, maar één ding was bij velen nog niet het geval. Zij hadden nog niet gezondigd tegen de Heilige Geest, waarvan hier ongetwijfeld een voorbeeld is. De Heere had de waarheid steeds klaarder doen lichten. De Zone Gods was verrezen van de doden, de Heilige Geest was uitgestort in de gemeente. Het volle Evangelie was bekend gemaakt. In de zonde van deze personen was de lastering van de Geest de onvergefelijke zonde, waartegen de Heere Christus waarschuwde: Hun verdoemenis is rechtvaardig.
Moge dit alles ons ootmoed leren en doen betrachten: Wandelt waardig het Evangelie van Christus en wandelt in vreze, den tijd die nog overig is.

Vatten wij nu ten slotte samen hetgeen wij vonden als hoofdgedachten:
In deze verzen staat niet, dat waarlijk gelovigen kunnen afvallen, maar die een schijn der godzaligheid hebben, doch de kracht verloochenen.
Gewaarschuwd wordt tegen verslapping, omdat dit de weg kan zijn tot afval.
Hier is sprake van verstandelijke verlichting en smaak van het Evangelies door de werking van de Heilige Geest, doch zonder herschepping ten eeuwigen leven.
Bij onbekeerden kunnen zeer wel voorkomen al deze werkzaamheden des Geestes. Ten dele en in de wortel vindt men ze bij het Joodse volk voor zover het de Christus tegen beter weten in verwierp en verachtte.
Men denke verder aan Judas, Simon de tovenaar, Hymenéus, enz.
Mattheus 8 : 12 en 12 : 24-32 doen in verband met Hebreeën 10 : 29, zien, dat hier de zonde tegen de Heilige Geest zal zijn bedoeld.

P.S. Wij noemden den naam van de even geleerden als godzalige Dr. John Owen hierboven. Deze schreef ook een uitvoerig traktaat over het vraagstuk van de afval van het Evangelie, dat nog zeer lezenswaard en instructief is voor de vele vragen, die daarbij aan de orde komen. Men kan het vinden: The Works of John Owen Vol. VII p. 1-260: Nature and Causes of Apostasy from the Gospel.

Misschien is het ook nog goed om te noemen: in 1973 kwam wijlen ds. J. van Sliedregt, schrijvend over hetzelfde onderwerp, nog op de artikelen van zijn ambtsbroeder terug. Hij sloeg op hetzelfde aambeeld als ds. Kievit in 1938.
© -DIA- 33.999 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Plaats reactie